DE KENNISDATABANK

Zoek in de kennisdatabank

Dagelijkse tools

Cijfers en indexen

Modeldocumenten

Modelcontracten

Werken op een Architectenbureau

Juridische tipsrubriek

Beroepsuitoefening

Actuele beroepstechnische dossiers

Waterbewust Bouwen

Actuele normen en wetteksten

Download NAV publicaties

Download NAV syllabi

NAV helpdesk

Contract op maat

NAV PARTNERS


POLL

Een vergunning aanvragen: een lijdensweg?


Een vergunning krijgen én houden is geen makkie. Denken we maar aan de zoektocht naar locaties voor nieuwe voetbalstadions in Brussel en Brugge. Maar ook vergunningsaanvragen voor kleine projecten kunnen soms lang aanslepen. Wat vindt u hiervan?


Afkeurend. Er zijn te veel beroeps- en inspraakmogelijkheden die vertragend werken.

Goedkeurend. Zeker voor grote projecten, waar veel mensen de impact van ondervinden, moet alles goed afgewogen worden



resultaat


vorige polls

Interviews


De verplichte stage, een zinvolle brug naar het beroep?

NAV Rondetafel


Even kennismaken. Rob Cuyvers is sinds een vijftal jaar departementshoofd architectuur, interieurarchitectuur en beeldende kunst van de Provinciale Hogeschool Limburg. Bij Bram Bortolin, vandaag zelfstandig architect met een eigen bureau, ligt de stageperiode 2002-2004 nog vers in het geheugen. NAV-voorzitter Danny Windmolders heeft in zijn eigen architectenbureau FCS altijd een stagiair meelopen. Bij Peter Leroy, vennoot van het architectenbureau Stramien, zijn dat er momenteel zelfs vier. Architect Peter Ketsman is in de Vlaamse Raad van de Orde van Architecten verantwoordelijk voor het departement stage en vorming. Architect Michel Proces tenslotte is actief in de opleiding (Saint-Luc, Brussel), de Orde van Architecten (lid Nationale Raad, secretaris van de Raad van Brussel en Waals-Brabant, lid van de commissie stage in de Franstalige Raad) en coördinator van de werkgroep ‘Professional Experience’ binnen de ACE/CAE (Architects’ Council of Europe / Conseil des Architectes d’Europe).

 

 

Nood aan verandering

 

Als kick-off maakt Bram Bortolin het proces van de stage. “Ik ben zeker niet ontevreden over mijn stagemeesters, maar de stage an sich was niet meteen een positieve ervaring. Je wordt zomaar op de arbeidsmarkt gegooid en je kunt niet echt rekenen op een degelijke begeleiding. Toen ik aan mijn studies begon, wist ik niet dat er mij achteraf twee hongerjaren te wachten stonden. Ik ben begonnen tegen een uurloon van 7,50 euro bruto, dat op mijn tweede stageplaats werd opgetrokken tot 10 euro. Maandelijks moest ik het, na aftrek van de sociale bijdragen als zelfstandige, het lidgeld van de Orde en de belastingen, zien te rooien met 500 tot 600 euro. Als 24-jarige ben je dus financieel afhankelijk van je ouders of partner. Ik kan begrijpen dat de economische context de stagemeester geen andere keuze geeft, maar als je dan niet eens alle inhoudelijke stagevereisten kunt invullen, ben je per slot van rekening niet meer dan een goedkope werkkracht die de minder leuke taken toegeschoven krijgt. Bovendien worden stagiairs eerder aan hun lot overgelaten. Ik heb in mijn stagerapporten meerdere concrete vragen opgeworpen, waarop ik nooit een antwoord heb gekregen. Daardoor kreeg ik het gevoel dat die rapporten niet eens werden gelezen.”

 

Op basis van de ervaringen die zijn huidige stagiair op diens vorige stageplaats opdeed, kan  Danny Windmolders het verhaal van Bram Bortolin alleen maar beamen. Meteen maakt hij een bijkomende analyse van wat er volgens hem fout zit. “Volgens de deontologie moet een stagiair alle aspecten van het beroep leren kennen. Dat is hopeloos achterhaald. Steeds meer stagiairs willen zich specialiseren en zouden eigenlijk in de stagefase hun eigen weg moeten kunnen zoeken. Een goede opvolging van de stage blijkt niet evident en verschilt van provincie tot provincie. Sociaal en financieel zit je met het probleem dat een goede stagemeester tijd en geld moet investeren in een stagiair, terwijl die laatste verplicht is zijn stage als zelfstandige uit te oefenen. De combinatie van deze twee resulteert onvermijdelijk in een schamele vergoeding. De evaluatie tenslotte kijkt nog altijd naar dezelfde praktische zaken als twintig jaar geleden, terwijl nieuwe begrippen als management, kandidatuurstelling en wedstrijdofferteaanvragen pertinent ontbreken.”

 

Ook Michel Proces beschouwt de hervorming van de stage omwille van meerdere redenen als een noodzaak. “In Franstalig België maken sinds juli 2010 alle instituten die een architectuuropleiding aanbieden deel uit van een universiteit. Het meer academische karakter van de opleiding en de daarmee gepaard gaande veranderingen zullen tot gevolg hebben dat de opleiding minder gericht is op de uitoefening van het beroep van zelfstandig architect. Terecht, want heel wat gediplomeerden kiezen achteraf voor een ander professioneel traject: medewerker-architect, scenografie, theaterdecors, administratie, stedenbouw, … Intussen moet de eigenlijke beroepsvorming wel nog ergens aan bod komen, te meer daar er alsmaar nieuwe zaken opduiken zoals management en marketing. Ook de betaling en de sociale bescherming van de stagiair schreeuwen om een aanpassing. Tenslotte dringt er zich een harmonisering van de aanpak in de verschillende provincies op en moeten we de financiële middelen rationeler inzetten. Op de kostprijs van een stagiair voor de Orde zitten er per provincie soms onredelijk grote verschillen. Voor het Franstalige landsgedeelte schommelt die bijvoorbeeld tussen 169 en 601 euro.”

 

 

Maar wie bepaalt wat?

 

“Al deze overwegingen hebben geleid tot een principieel akkoord over een hervorming, dat steunt op een ruime consensus binnen de Orde over de taalgrens heen en waarover wij een open dialoog aangaan met de beroepsverenigingen en de architectuurscholen”, pikt Peter Ketsman in. “Een eerste punt is dat een diploma van master in de architectuur niet onmiddellijk toegang geeft tot een autonome uitoefening van het beroep als opdrachthoudend architect. In ons voorstel is dat pas mogelijk na een evaluatie aan het einde van de stage. We streven naar een kwalitatieve evaluatie. Dit is geen momentopname, maar een beoordeling van het afgelegde traject aan de hand van een logboek, naar het voorbeeld van het Franse Parcours Carnet-métier, waarin de competenties zijn opgenomen waarover men zou moeten beschikken om het beroep van zelfstandig architect uit te oefenen. Een beoordeling ook van de gevolgde aanvullende vormingsmodules, met bijvoorbeeld de voorlegging en toelichting van een opgevolgd project. Bij die evaluatie willen we een beroep doen op tal van partners, maar wij vinden wel dat de organisatie principieel een taak voor de Orde moet blijven.”

 

Rob Cuyversreageert ferm: “Opleiding en werkveld zijn allebei ingrijpend veranderd, zodat er inderdaad een brug tussen beide nodig is. Maar het slaan van die brug kan niet behoren tot de autonomie van de Orde die slechts één uitstroomtraject van studenten bewaakt. Wie bewaakt anders de problematiek van alle studenten die niet voor het beroep van zelfstandig architect kiezen? We moeten samen de discussie voeren over waar we vandaag staan, waar studenten naartoe gaan en hoe we de brug slaan tussen het academisch georganiseerd onderwijs en het werkveld. Wie in laatste instantie instaat voor de uitvoering, doet niet ter zake. Vandaag blijven wij als hogeschool verweesd achter. Wij sturen onze studenten de deur uit, waarna ze door anderen op het werkveld worden losgelaten, zonder enige ruggespraak met de opleiding. Wij willen mee verantwoordelijk zijn voor de invulling van de stage en samen komen tot een organisatie die vanuit de opleiding en het werkveld bekijkt hoe we dat moeten aanpakken en die de controle op zich neemt.”

 

Danny Windmoldersis verrast door het eenzijdige initiatief van de Orde: “Dit is het eerste dat ik hiervan hoor, terwijl wij vanuit het beroepenveld toch veel voeling hebben met stagiairs en stagemeesters, net zoals de scholen veel voeling hebben met wie afstudeert. Wie de stage organiseert, maakt mij niet uit. Maar de discussie nu pas starten, is een beetje laat, tenzij wij de voorstellen nog grondig kunnen bijsturen. De stage hervormen is een gezamenlijke uitdaging die geen privilege van de Orde mag zijn. Het enige dat telt, is uiteindelijk het belang van de stagiair.”

 

Peter Ketsman pareert de geuite kritiek: “Wij willen zeker geen cavalier seul spelen maar streven naar een open dialoog. Dat blijkt ook uit de bijeenkomsten die we hebben gepland met vertegenwoordigers van de opleiding en het beroep, en uit de documenten die wij hebben overgemaakt om ons standpunt te verduidelijken. Maar als organisatie moet je eerst wel tot een gezamenlijk standpunt komen voor je naar buiten komt.”

“Aan Vlaamse zijde zijn wij het er over eens dat de Orde de samenstelling van de evaluatiecommissie bepaalt. Wij willen de onderwijsinstellingen bij de stage betrekken, al is het maar om de pijnpunten die we in het werkveld vaststellen te kunnen terugkoppelen, maar we willen een zekere onafhankelijkheid bewaren. Als de supervisie uit handen van de Orde wordt gehaald, zouden we wel eens verzeild kunnen geraken in een situatie zoals die in Frankrijk, en dreigt de stage een academisch verlengstuk te worden van een academische opleiding, waarbij de opvolging gebeurt door academici die weinig voeling hebben met het beroep. Misschien is die angst ongegrond, maar we willen het risico liever niet lopen.”

“Wat het sociale aspect betreft, stellen wij als leidraad een minimumvergoeding van 10 euro voor, per periode van zes maanden te verhogen met 2 euro, met als indexreferentie september 2008. Ook bij de overheid pleiten wij voor een hogere vergoeding voor stagedoende architecten, namelijk klasse A1 volgens loonschaal A11. Maar de uiteindelijke onderhandelingen over de vergoeding moeten gebeuren tussen stagiair en stagemeester.”

“Tenslotte leggen we in ons voorstel de klemtoon op het organiseren van aanvullende vormingsmodules voor stagiairs. We willen een commissie oprichten die de door derden aangeboden modules een accreditatie zal toekennen. Op die manier willen we de stagiairs meer bijstand geven op die domeinen waar de stage tekortschiet en werken aan een beter imago voor de Orde.”

 

Danny Windmolders: “De eindproef moet in ieder geval gebeuren vanuit het standpunt van de stagiair, niet vanuit dat van de Orde. Essentieel is: wat heeft de stagiair geleerd en welke attitude heeft hij ten overstaan van het beroep? De tijd dat je het metier moest leren en voor 30 jaar gebeiteld zat, is definitief voorbij. Er komen voortdurend nieuwe zaken op ons af, zodat we ons snel en flexibel moeten kunnen aanpassen. In het onderwijs leren studenten hoe ze aan onderzoek moeten doen, hun conclusies moeten trekken en verder moeten gaan. De stage moet een vergelijkbaar traject volgen. Ik pleit ervoor de evolutie gedurende die twee jaar te bekijken, bijvoorbeeld aan de hand van een portfolio. Hoe was die evolutie, wat is de momentopname vandaag en hoe gaat de betrokkene verder evolueren?”

 

Peter Ketsman: “Daar pleiten wij ook voor. Vandaar dat wij een verplichte permanente vorming willen waarover wij een document hebben opgesteld. Dat moet de aanzet vormen voor een kader dat de architect aanspoort de professionele bekwaamheid te handhaven en te bevorderen. Ook in andere landen en bij diverse intellectuele beroepen in België bestaat dit. Terecht, want hoe kan iemand die zich niet bijschoolt, zijn beroep nog correct uitoefenen in het algemeen belang?”

 

 

Sociaal statuut

 

In het overleg zal ook het sociaal statuut van de stagiair bekeken moeten worden. Michel Proces: “Dat blijft inderdaad een groot probleem. Er bestaan al administratieve mogelijkheden om de stagiair een bepaald statuut te geven, maar dan zou hij onderweg niet van stageplaats kunnen veranderen. De status van zelfstandige wordt soms gezien als een opstapje naar de zelfstandige activiteit, maar kan ook een obstakel vormen om een werkloosheidsuitkering aan te vragen. In Brabant hebben wij een minimumbedrag vastgelegd voor stagiairs, maar we moeten met lede ogen toekijken als jong afgestudeerden gratis hun stage doen bij een enkele sterarchitect.”

 

Peter Leroy: “Een hogere vergoeding lijkt mij niet haalbaar. Wij betalen momenteel 14 euro per uur. De eerste stageperiode betekent voor ons een financiële investering, in de tweede periode proberen we op break-even te komen. Als de stagiair na de tweede stageperiode vertrekt, heeft dit ons dus geld, tijd en energie gekost.”

 

Bram Bortolinzou het allemaal graag anders geregeld zien: “Waarom wordt de stage niet geïntegreerd in de opleiding? Dat zou pas het belang van de stagiair dienen. De economische druk voor stagemeester en stagiair valt daarmee weg, zodat de stagiair niet langer financieel moet renderen en hij effectief kan deelnemen aan alle activiteiten en processen: vergaderingen, bouwplaatsbezoeken, …”

 

Peter Leroy: “Uit contacten met de Academie in Antwerpen maak ik op dat een praktische stage niet thuishoort in de opleiding. De scholen beschikken niet over de daarvoor vereiste mensen en de middelen. Na de algemene, brede opleiding lijkt de stage mij een logische volgende stap voor wie zelfstandig architect wil worden. In de opleiding leer je bijvoorbeeld niet hoe je moet omgaan met klanten en aannemers. Slechte ervaringen vallen nooit uit te sluiten, maar in onze provincie gebeurt de opvolging goed. Anderzijds zitten er soms onbegrijpelijke lacunes in de opleiding die wij dan moeten invullen, terwijl wij niet opgeleid zijn om mensen op te leiden. Je mag toch verwachten dat afgestudeerden weten wat een vochtslab en luchtdichtheid betekenen of hoe ze een gat van drie meter breed in een dragende muur van 18 cm dik kunnen maken? Met wat meer basiskennis zouden wij ze met meer rendement kunnen inschakelen in het bureau en  beter kunnen betalen.”

 

Danny Windmolders: “Vanuit de NAV merken wij dat er inderdaad verschillen bestaan tussen de opleidingen. Sommige concentreren zich uitsluitend op het artistieke. Wat dat betreft kan ik de angst van de Orde begrijpen. Als diezelfde opleidingsmensen morgen de stage zouden organiseren, zal ook daar de klemtoon op het artistieke komen te liggen en niet op het beroep. Maar er zijn ook andere opleidingen die bijvoorbeeld effectief een vakantiestage bij een aannemer organiseren. Het probleem is dat het na de opleiding afgelopen is met studeren, terwijl een stukje vervolgopleiding dan heel zinvol kan zijn. Want hoe start je een praktijk op, hoe maak je die rendabel, hoe richt je een bouwteam op? De NAV heeft hiervoor het, gezien de beperkte middelen relatief bescheiden peterschapsproject in het leven geroepen, waar een 70-tal stagiairs onder begeleiding van 11 peters dergelijke praktische items bespreken.”

 

Peter Ketsman: “Begeleiding van jonge architecten door ervaren collega’s, ook in de jaren na de stage, kunnen we alleen maar aanmoedigen. Het is sowieso belangrijk dat architecten, jong en oud, contact houden en ervaringen uitwisselen in een geest van confraterniteit en loyaliteit.”

 

Michel Proces: “Aan Franstalige zijde loopt bij de Orde een vergelijkbaar initiatief. Via een niet verplichte, gratis aanvullende vorming voor stagiairs zoomen we gedurende 80 uur in op beroepsthema’s als veiligheid op de bouwplaats, marketing, management enzovoort. De praktische organisatie ligt in handen van opleidingscentra voor de middenstand. Momenteel is er een nieuwe offertevraag de deur uit, en de universiteiten zijn geïnteresseerd om daaraan mee te werken. Dat zou een mooie prelude kunnen zijn in de richting van de permanente vorming.”

 

Rob Cuyvers: “De competentie die wordt opgebouwd in hogescholen en universiteiten, zou inderdaad kunnen worden ingezet voor de vorming achteraf. Anderzijds is het belangrijk dat het werkveld kritisch naar ons opleidingsprogramma kijkt, iets waar wij bij onze studenten trouwens ook naar peilen.”

 

 

Nog veel werk aan de winkel

 

Danny Windmoldersraakt een ander pijnpunt aan: “Ik vind het jammer dat we met de stage momenteel heel wat kansen laten liggen. Aan de ene zijde heb je studenten met dikwijls heel veel competenties, aan de andere zijde de stagemeesters en bureaus. Van een synergie tussen beide is geen sprake. De stagiair meldt zich aan bij de Orde, krijgt een lijst van stagemeesters maar weet niet bij wie hij belandt en waar dat bureau mee bezig is. Alles hangt grotendeels af van het toeval. Wij raden aan dat de stagemeester minstens een portfolio heeft die de stagiair kan inkijken.”

 

Peter Leroygaat er van uit dat stagiairs toch minstens eens nakijken bij wie ze zullen terechtkomen, bijvoorbeeld op de website, en niet zomaar de eerste de beste stageplaats aanvaarden. Danny Windmolders reageert dat naar schatting amper 30% van de actieve architecten  een eigen website heeft. Bram Bortolin voegt daaraan toe dat het aanbod klein is voor wie een aantal bijkomende keuzecriteria vastlegt, bijvoorbeeld de nabijheid, de omvang van het architectenbureau, de leeftijd van de stagemeester.

 

Michel Procesgeeft toe dat de lijst van architecten best wat meer zou mogen worden ingekleurd met bijkomende informatie per bureau. “Stagiairs weten ook niet altijd wat ze precies onder de knie moeten krijgen. Maar niemand kan ontkennen dat de Orde stappen heeft gezet in de richting van meer transparantie. Denk maar aan de lijst van competenties waarin we opsommen welke competenties we verwachten van een gediplomeerde en van iemand die in het beroep van zelfstandig architect stapt. Aan de hand daarvan kan een stagiair bepalen welke lacunes hij nog moet invullen. De lijst, gevaseerd op een aanbeveling van de CAE, werd aan Franstalige zijde voorgelegd aan de opleidingsinstituten en moet nog worden voorgelegd aan de beroepsverenigingen.”

Peter Ketsmanvoegt hieraan toe dat ook aan Vlaamse zijde de lijst aan de onderwijsinstellingen werd overgemaakt.

 

Rob Cuyvers: “Met het competentieprofiel voor de stage heeft de Orde inderdaad al veel werk geleverd. Maar dat profiel mag niet alles in een keer trachten op te lossen. Slechts een beperkt deel van onze afgestudeerden wordt zelfstandig architect. De rest zoekt andere horizonten op: de administratie, de bank- of verzekeringswereld, stedenbouw, … De stage moet studenten helpen het juiste profiel te vinden, zodat de stagiair een keuze moet kunnen maken uit verschillende competenties: het bouwkundige, het ontwerpmatige, management, cultuur, onderzoek. Tegelijkertijd moeten we een goede oplossing vinden voor het statuut van de stagiair. Dat alles vergt een heel brede discussie en is een verhaal van maatschappelijk belang dat niet uitsluitend de bevoegdheid van de Orde mag zijn.”

 

Michel Proces: “Het is de bedoeling om meerdere profielen te kunnen integreren en de competenties voor andere beroepen mee te nemen in de stage. Wij willen bijvoorbeeld ook een stage bij een aannemer mogelijk maken. Daarbij moet de Orde de opleiding betrekken, maar we mogen alles niet uitsluitend in handen van die opleidingsinstituten geven. En aan het einde van die stage moet een evaluatie gebeuren.”

 

Ook Danny Windmolders steekt een bijkomend pleidooi af voor specialisatie. “Als wie zich wil specialiseren in lastenboeken, meetstaten en opvolging van de bouwplaats voor zijn stage ook terecht kan bij een aannemer, verbreed je het aanbod. Daardoor zal er een zekere schaarste aan stagiairs tot stand komen, wat meteen een weerslag zal hebben op de financiële vergoeding.”

 

Peter Leroyvraagt zich af hoe het komt dat circa 95% van alle architectuurstudenten stage doet, terwijl achteraf slechts een klein deel kiest voor het beroep van zelfstandig architect. “Op ons bureau leveren zeven op tien medewerkers geen zelfstandig werk, maar ze moeten wel allemaal ingeschreven zijn bij de Orde.” Michel Proces erkent de tendens dat elke architect die in een bureau werkt ook ingeschreven moet zijn bij de Orde, met alle onduidelijkheid van dien: waarom gelden er voor een medewerker-architect andere spelregels dan voor een medewerker met een diploma landmeter als ze allebei naar de bouwplaats gaan? “Momenteel zitten we nog met een andere grijze zone. Als iemand na twee jaar stage niet voldoet, kunnen we de stageperiode verlengen met zes maanden of een jaar. Maar wat dan? Theoretisch kunnen we die man of vrouw daarna niet beletten om in het beroep te stappen. Dat gebeurt nochtans in sommige provincies. Maar wat als iemand hiertegen in beroep gaat? Een evaluatie door een jury op het einde van de stage, met een mogelijkheid van beroep, zal een veel transparantere oplossing inhouden.”

 

Afsluitend komen de gesprekspartners tot de conclusie dat er nog veel werk aan de winkel is. De wijziging van de stage moet gebeuren bij wetswijziging en vergt dus een breed draagvlak. Peter Leroy wijst er op dat het beeld van de architect dan eerst moet worden herbekeken op basis van de huidige realiteit. Peter Ketsman stelt iedereen gerust: er wordt momenteel gewerkt aan een consensus over de definitie van de architect van de toekomst en de invulling van het statuut ‘master in de architectuur’, naar analogie met het verschil tussen juristen en advocaten. Danny Windmolders werpt de vraag op waar daarover wordt nagedacht: alleen binnen de Orde? Michel Proces relativeert de kloof tussen Orde en beroepsverenigingen, gezien het feit dat vele mandatarissen voordien al actief waren in een beroepsvereniging of dat nog altijd zijn.

Een ander heikel punt is dat een wijziging ook moet passen in de Europese context. Michel Proces: “Als aan het einde van de stage een examen toegang geeft tot het beroep, zal dat een invloed hebben op de mogelijkheden om in het buitenland te werken. In het verleden hebben wij samen met de juridische adviseur van de Orde de oefening gemaakt en voor een aantal heel concrete gevallen die mogelijkheden bekeken. Het resultaat was een ongelooflijk labyrint.”

 

Tot slot roept Peter Ketsman stagiairs en stagemeesters op om verantwoordelijk om te springen met de stageopdracht, de stage aan te wenden waarvoor deze in het leven is geroepen en hun creativiteit niet te gebruiken om de regels te omzeilen. Hij wijst er ook op dat een goede stage niet noodzakelijk in een groot bureau moet gebeuren. Integendeel, voor een breed palet aan ervaringen is een klein bureau dikwijls meer aangewezen.

Meer info over de huidige stageregeling is terug te vinden op de website van de Ordevan Architecten,  www.architect.be.

Juli 2010



terug