Marc Hendrickx zetelde vijf jaar in de provinciale raad van Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad en maakte later ook deel uit van de Vlaamse en Nationale raad. “Mijn mandaat was het resultaat van een weddenschap. Ik wist eigenlijk niet waaraan ik begon”, blikt Hendrickx lachend terug.

Hoe werkt de Orde nu echt? Wat gebeurt er nadat de stemmen zijn geteld? Wat doet een mandataris precies en welke bevoegdheden hebben de verschillende raden en commissies? Je leest het hier.

Eerst bureaus samenstellen

Dit jaar trekken architecten van 1 tot 15 oktober naar de digitale stembus. In elke provincie worden zeven mandatarissen, vier effectieven en drie plaatsvervangers, verkozen voor de provinciale raad van de Orde. “Veel mensen denken dat met deze democratische verdeling van de kaarten het spel kan beginnen, maar eigenlijk moeten de raad en de andere organen zich eerst nog organiseren”, vertelt Hendrickx. “Vrij snel volgt een installatievergadering van de provinciale raad, waarop de voorzitter, ondervoorzitter en secretaris worden gekozen. Samen vormen zij het Bureau. Ook de afgevaardigde voor de Nationale Raad, die tevens afgevaardigde in de Vlaamse Raad is, wordt aangeduid. Ten slotte worden ook de colleges van zogenaamde deskundigen samengesteld voor onder meer stage, beroepsuitoefening, deontologie, erelonen en verzekeringen. Dat zijn commissies met telkens één afgevaardigde uit elke provinciale raad, die kwesties binnen deze domeinen onderzoeken en daarover voorstellen doen aan de Vlaamse Raad.”

In tegenstelling tot de samenstelling van de provinciale raad hebben de kiezers geen vat op de toewijzing van die functies en de precieze samenstelling van de andere bij wet bepaalde organen. Dat geldt nog meer voor de niet-officiële gremia die de Vlaamse Raad zelf in het leven heeft geroepen, zoals colleges en werkgroepen.

Volgens Hendrickx is dat ook voor de gekozen mandatarissen niet eenvoudig. “Je kent elkaar nauwelijks en toch moet je al beslissen wie welke verantwoordelijkheid krijgt. Uiteraard worden daar vooraf vaak al afspraken over gemaakt tussen de mandatarissen die hun mandaat voortzetten. Maar de nieuwverkozenen zijn aangewezen op eerste indrukken en buikgevoel.”

Dagelijkse werking van de provinciale raden

Wanneer de Orde haar leden oproept om zich kandidaat te stellen en zo mee de toekomst van het beroep te bepalen, wordt volgens Hendrickx onvoldoende duidelijk gemaakt dat de kans eerder klein is dat een verkozene in de Nationale Raad terechtkomt. Nochtans is dat het enige orgaan binnen de structuur van de Orde dat de wettelijke bevoegdheid heeft om beleidslijnen uit te zetten en ten gronde iets te veranderen.

Volgens Hendrickx geeft dat veel architecten een verkeerd beeld van de werking van de Orde. “Een groot deel van de dagelijkse werking speelt zich af in de provinciale raden. Die behandelen de inschrijvingen op de tabel en de lijst van stagiairs, beoordelen stageplannen, controleren stages en volgen die verder op”, legt hij uit.

“Ook de behandeling van klachten van opdrachtgevers en tuchtdossiers start op provinciaal niveau. Eerst onderzoekt het Bureau het dossier. Pas na een onderbouwde doorverwijzing naar de provinciale raad, die in dat geval optreedt als tuchtraad, wordt de zaak ten gronde behandeld. Dat gebeurt volgens regels en principes die ook in de reguliere rechtbanken worden toegepast, met respect voor de rechten van de verdediging. Eventueel volgt een sanctie, waartegen de betrokkene in beroep kan gaan bij de Raad van Beroep, die aan Vlaamse kant in Gent zetelt. Naast drie professionele rechters zetelen daar drie door loting aangestelde architect-mandatarissen.”

De werklast van deze Raad van Beroep, met slechts een handvol uitspraken per jaar, is niet representatief voor een doorsnee mandaat binnen de Orde. Volgens Hendrickx onderschatten veel architecten het belang en de hoeveelheid werk die bij een mandaat als provinciaal raadslid komen kijken. “De opvolging van stages alleen al vraagt heel wat tijd. Je moet dossiers lezen, analyseren en beoordelen en ze bespreken met collega’s die een andere mening kunnen hebben. Je kunt je engagement beperken tot één vergadering per maand en geen stagecontroles doen. Maar dan leg je de werklast bij je collega’s, wat niet bevorderlijk is voor een goede samenwerking.”

“Je draagt als mandataris mee de verantwoordelijkheid voor een correcte en onafhankelijke werking van de Orde. Alleen al daarvoor is het engagement waardevol.”

Van provinciale dossiers naar nationale besluitvorming

Tijdens de tweede helft van zijn mandaat maakte Hendrickx de overstap naar de Vlaamse en Nationale Raad. Daardoor zag hij hoe verschillend de bevoegdheden van elk niveau zijn. “Op provinciaal niveau behandel je zelf, samen met je collega’s en onder toezicht van een juridische assessor, concrete, persoonsgebonden dossiers. Op nationaal niveau gaat het veel meer over dossiers die door, vaak juridisch geschoolde, medewerkers van de Orde worden voorbereid en ter bekrachtiging aan de raad worden voorgelegd. Denk aan de aanstelling van advocaten in juridische geschillen, de inschrijving op het register van dienstverrichters van architecten uit EU-lidstaten die een project in België willen uitvoeren en de beoordeling van de beroepsbekwaamheid van architecten uit andere landen aan de hand van hun diploma’s, certificaten en attesten. Ook beslissingen over het ontslag en de aanwerving van personeelsleden in alle geledingen van de Orde behoren tot de bevoegdheid van de Nationale Raad.”

De hoofdopdrachten van de Nationale Raad zijn echter het vaststellen van de voorschriften van de plichtenleer, het opmaken van het stagereglement en het bewaken van de toepassing daarvan door toezicht te houden op de werking van de provinciale raden. Volgens Hendrickx zeggen de data waarop essentiële en nog steeds geldende regelgeving werd ingevoerd veel over de daadkracht van de Orde:

Het reglement van beroepsplichten werd vastgelegd bij Koninklijk Besluit van 18 april 1985 en kreeg sindsdien slechts twee aanpassingen, in 2021 en 2022. Die hadden respectievelijk betrekking op deontologische regels rond insolventie en architecten die ook het beroep van vastgoedmakelaar uitoefenen.

Het stagereglement werd vastgelegd bij Koninklijk Besluit van 13 mei 1965 en is in die versie vandaag nog steeds van kracht. In 2015 keurde de Nationale Raad aanbevelingen goed die niet bij Koninklijk Besluit werden bekrachtigd. Zeer recent werd ook het stagecontract aangepast, met meer nadruk op het bediendenstatuut.

“Menig mandataris zal zich nu verongelijkt voelen en opmerken dat er de laatste tijd in de Vlaamse Raad werk is gemaakt van de optimalisering van het digitale stageplatform en de opstelling van de leidraad voor de stage-evaluatie. Er zijn ook voorstellen uitgewerkt voor een hervorming van de stage en er werd nagedacht over hoe deontologisch moet worden omgegaan met nieuwe praktijken, zoals wedstrijdaanbestedingen en design-and-buildformules. Ook over de hervorming van de wetten van 1939 en 1963 is al menig woord gezegd en geschreven. Werk genoeg dus voor de volgende mandaatperiode. Maar het is ook afwachten of een uitspraak van een voormalig diensthoofd niet opnieuw bewaarheid wordt: ‘Elke drie jaar wordt met de verkiezingen en de wissel van mandatarissen in de Orde de resetknop ingedrukt’”, zo gaat Hendrickx verder.

“Als mandataris leer je de Orde van binnenuit kennen, zodat je nadien met kennis van zaken mee aan de kar kunt duwen om de Orde van buitenaf te hervormen.”

Twee verschillende taalvleugels

De Nationale Raad bestaat uit een Vlaamse en een Frans- en Duitstalige afdeling. Die zijn gerechtigd om samen te beslissen, maar mogen ook afzonderlijk beraadslagen. “Veel architecten spreken over ‘de Orde’ alsof het één organisatie is, maar in werkelijkheid heeft elke vleugel zijn eigen werking en visie”, zegt Hendrickx. “In Vlaanderen leeft bij een aantal mandatarissen sterker het idee dat de Orde zich moet beperken tot haar wettelijke opdrachten. In Franstalig België wordt ze vaker gezien als een organisatie die ook de belangen van architecten moet verdedigen en dus ook moet optreden als beroepsvereniging, zoals NAV dat doet. Die verschillende visies maken het soms moeilijk om tot een gezamenlijke koers te komen.”

Hoewel beide taalafdelingen afzonderlijk geen beslissingsbevoegdheid hebben en alleen gezamenlijk kunnen beslissen over de wettelijke opdrachten van de Orde, wordt volgens Hendrickx voor heel wat regionale initiatieven een soort gentlemen’s agreement gerespecteerd: live and let live. “Zo kan de Vlaamse raad zich bijvoorbeeld bezighouden met de organisatie van een nieuwjaarsreceptie, deelname aan beurzen zoals Bis en Architect@Work, evenementen zoals Start to Architect en het congres, overleg met Vlaamse beroepsorganisaties en onderwijsinstellingen, deelname aan het Vlaams Bouwoverleg met regeringsleden en beroepsverenigingen uit de bouwsector, publicaties voor het brede bouwerspubliek en communicatie naar de leden via nieuwsbrieven.”

De Vlaamse Raad, en bij uitbreiding de Orde: reus op lemen voeten?

Voor Hendrickx legt de manier waarop de Vlaamse raad functioneert een structureel probleem binnen de Orde bloot. Terwijl er volgens hem voor materies die er echt toe doen, zoals deontologie en stage, met een consensus op Vlaams niveau slechts een eerste horde is genomen, blijkt zelfs die consensus bereiken vaak al bijzonder moeilijk. “Hoewel de wet voor het dagelijks bestuur geen Bureau heeft voorzien op afdelingsniveau, net zo min als op nationaal niveau, wordt dat toch officieus geïnstalleerd, met een voorzitter, ondervoorzitter, secretaris en penningmeester. De Vlaamse raad heeft zelfs nog een extra functie gecreëerd: een afgevaardigde van de provinciale voorzitters.” Hendrickx noemt dat een merkwaardige constructie. De provinciale voorzitters zijn krachtens de wet wel gerechtigd om de vergaderingen van de taalafdeling bij te wonen, maar hebben er volgens hem geen beslissingsbevoegdheid. Ze kunnen wel aan het debat deelnemen. Samen met de vijf officiële afgevaardigden gaat het zo om tien architecten. Daarnaast bestaat de afdeling uit vijf door de koning benoemde leden uit het onderwijs en de ambtenarij.

Volgens Hendrickx bemoeilijkt die hybride samenstelling de besluitvorming. “Het is sowieso niet evident om architecten met verschillende visies en achtergronden op één lijn te krijgen. In mijn ervaring leidt dat geregeld tot getreuzel en besluiteloosheid. Ook de besluitvorming is volgens mij niet altijd even transparant. Het wordt problematisch wanneer standpunten van de Orde door enkelingen worden bepaald zonder voldoende draagvlak.”

Meer jurist dan architect?

“Je bent als mandataris niet met bouwen en architectuur bezig, maar vooral met regelgeving en kwesties die volgens mij beter door een stabiel en deskundig personeelskader zouden kunnen worden afgehandeld”, vat Hendrickx samen. “Vergaderingen draaien nooit rond ontwerpen, bouwtechnische aspecten of architectuurkwaliteit. Je bent vooral bezig met de minder aantrekkelijke aspecten en de randvoorwaarden van de beroepsuitoefening, zoals regelgeving rond deontologie, contracten en verzekeringen.” Wie een mandaat opneemt, moet volgens hem dan ook graag in wetten en reglementen duiken. “Interesse in wetgeving is echt een must. Ook bij de beoordeling van collega’s moet je de regels kennen, respecteren en consequent toepassen.”

Een engagement dat tijd en kennis vraagt

Volgens Hendrickx vragen sommige mandaten en functies niet alleen veel tijd, op het hoogste niveau soms meer dan tien vergaderingen per maand, maar ook een grondige kennis van de werking van de Orde. “Een mandaat loopt over zes jaar, maar om de drie jaar worden de mandaten gedeeltelijk vernieuwd. Dat is uiteraard nodig, maar het betekent ook dat heel wat ervaring verloren gaat. Nieuwe mandatarissen hebben tijd nodig om de complexe werking van de Orde onder de knie te krijgen. Tegen dat iedereen goed ingewerkt is, dienen de volgende verkiezingen zich alweer aan. De resetknop …”

Heeft een individueel mandataris dan veel impact? Hendrickx antwoordt genuanceerd. “Je verandert de Orde niet in je eentje. Maar je kunt wel mee waken over de correcte toepassing van de wet, in het bijzonder over het beperken van de activiteiten van de Orde tot haar wettelijke kerntaken. Je kunt ook helpen voorkomen dat verkeerde beslissingen worden genomen die de leden veel geld kosten. Ook dat is een belangrijke verantwoordelijkheid.”

Wie de koers van de Orde echt mee wil bepalen, kan dat volgens Hendrickx alleen via een verantwoordelijke functie in de Nationale en Vlaamse Raad, en op voorwaarde dat er binnen de eigen taalafdeling al consensus is. Maar ook zonder zo’n functie blijft een mandaat volgens hem de moeite waard. “Je draagt mee de verantwoordelijkheid voor een correcte en onafhankelijke werking van de Orde. Alleen al daarvoor is het engagement waardevol. Bovendien leer je de Orde van binnenuit kennen, zodat je nadien met kennis van zaken mee aan de kar kunt duwen om de Orde van buitenaf te hervormen.”

Katrien

Katrien Depoorter

Projectmanager pers en communicatie

Netwerk Architecten Vlaanderen

Gerelateerde artikelen