In de bouwsector wordt steeds vaker afgestapt van het klassieke design-bid-buildmodel waarbij de bouwheer enerzijds een of meer (ontwerp)overeenkomsten sluit met een architect, ingenieurs en studiebureaus en anderzijds een of meer (bouw)overeenkomsten met de aannemers. Nieuwe samenwerkingsvormen zoals DBFM(O) en bouwteams doen de vraag rijzen naar de rol die de architect daarin wettelijk en deontologisch mag spelen.

Meer bepaald rijst de vraag of dergelijke samenwerkingsvormen wel sporen met de wettelijke en deontologische onverenigbaarheid tussen het beroep van aannemer en architect. Een ander fenomeen dat daarbij aansluit, is het gebruik van digitale modellen en platformen.

 

Welke samenwerkingsovereenkomst?


Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt alvast dat enige omzichtigheid geboden is met design & buildopdrachten. Elke vorm van samenwerking waarbij een architect de onderaannemer is van de aannemer of omgekeerd, alsook elke contractvorm waarbij de architect en de aannemer zich hoofdelijk verbinden ten aanzien van de
bouwheer, zijn in elk geval absoluut verboden. De architect mag evenmin in dienstverband van de aannemer werken. Ook de gezamenlijke oprichting van een vennootschap (“SPV” of “special purposes vehicle”) die zich dan vervolgens verbindt tot een design & buildopdracht, is in geen geval toegelaten.


Niettemin wordt een design & buildopdracht toch mogelijk geacht mits de architect en de aannemer zich niet hoofdelijk verbinden ten aanzien van de bouwheer, geen SPV oprichten en de architect in alle onafhankelijkheid zijn rol van openbaar belang kan vervullen. Daartoe moet de nodige aandacht worden besteed aan de contractuele uitwerking van de samenwerking tussen aannemer en architect.


In de eerste plaats moet de samenwerkingsovereenkomst zich beperken tot één of meer specifiek omschreven projecten. Een samenwerking van onbepaalde duur is uitgesloten. Bovendien moeten de architect en de aannemer zich elk verbinden tot hun eigen nauwkeurig en afzonderlijk omschreven geïndividualiseerde opdrachten. Zij mogen ook niet aansprakelijk zijn voor de uitvoering van elkaars verbintenissen. De architect en de aannemer moeten dus elk instaan voor hun eigen risico’s, aansprakelijkheden en onzekerheden verbonden aan hun eigen geïndividualiseerde opdracht. Tenslotte moet de architect worden belast met een volledige architectuuropdracht, waarbij de taken die behoren tot diens monopolie, uitsluitend mogen worden uitgevoerd door de architect.

In een aanbeveling van de Conseil francophone en germanophone van de Orde van Architecten met betrekking tot overheidsopdrachten voor architectuurdiensten worden bovendien nog een  aantal belangrijke aandachtspunten uiteengezet. In deze aanbeveling wordt onder meer benadrukt dat de architect voortdurend moet waken over de naleving van de regels ter bescherming van het openbaar belang. Dit is precies de bestaansreden van het monopolie van de architect en de verplichte bouwbijstand die de architect moet leveren. De architect moet er ook zorg voor
dragen dat zijn onafhankelijkheid voortdurend effectief bewaard wordt. Dit vereist onder meer dat aan de architect voldoende middelen worden toegekend om zijn opdracht tot een goed einde te brengen met het behoud van zijn conceptuele en technische autonomie. Bovendien moet de architectonische kwaliteit van het ontwerp naar behoren worden gevaloriseerd ten aanzien van de financiële criteria. Dit geldt in het bijzonder bij overheidsopdrachten. Tenslotte moet de architect er over waken dat alle taken binnen de architectenopdracht ook effectief door hem uitgevoerd
worden tot en met de oplevering van de werken, zodat de architect kan toezien op de naleving van het architecturale ontwerp.


Al of niet geïntegreerd samenwerken?


De figuur van het bouwteam hoeft niet noodzakelijk zo ver te gaan dat er een geïntegreerde samenwerking tussen architect en aannemer ontstaat. In zoverre onder een bouwteam wordt verstaan dat de architect en de aannemer samen
met de bouwheer op gelijke voet samenwerken voor de realisatie van het project, waarbij elk van deze actoren op een gecoördineerde wijze zijn werkzaamheden verricht vanuit zijn eigen specifieke rol en daarnaast de andere actoren adviseert,
lijkt er niet meteen sprake van een inbreuk op de onverenigbaarheid van het beroep van aannemer en architect, noch van het monopolie van de architect. Niettemin moet de architect er ook in bouwteam over waken de nodige onafhankelijkheid
te bewaren.

 

Ook het gebruik van digitale platformen of van een Bouw Informatie Model (BIM) staat in wezen los van de gekozen samenwerkingsvorm. BIM is immers een tool, waarbij er voor wordt gezorgd dat alle proces- en productinformatie van een project centraal wordt opgeslagen en door alle bouwpartners voor verschillende doeleinden kunnen worden gebruikt. Elke bouwactor kan uit het geïntegreerde model informatie halen en daar ook weer informatie aan toevoegen. Toch moet ook bij het gebruik van deze digitale tools steeds in concreto worden stilgestaan of hierdoor geen inbreuk wordt gepleegd op het monopolie van de architect of op de wettelijke onverenigbaarheid.

 

Belang van een goede overeenkomst


Het is van groot belang dat de rol van de architect in voormelde contractuele, procesmatige en technologische ontwikkelingen in de bouwsector goed wordt afgelijnd, rekening houdend met het bestaande wettelijke en deontologische kader. Een inbreuk op het monopolie of de onverenigbaarheid aannemer/architect kan niet alleen leiden tot een deontologische sanctie, maar ook tot de nietigheid van de gesloten overeenkomsten. Een gebrekkige uitwerking van de samenwerking tussen architect en aannemer, of het ontbreken van de juiste contractuele omkadering van het gebruik van digitale tools kan ook leiden tot een verhoogde aansprakelijkheid van de architect. Een zorgvuldige redactie van de overeenkomsten is dus primordiaal. Het verdient de aanbeveling dat de architect zich daarbij laat bijstaan door een gespecialiseerde advocaat of jurist.