Op 1 maart 2010 ging de Vlaamse regelgeving toegankelijkheid van kracht. Deze regelgeving legt normen op om de minimale toegankelijkheid van publieke gebouwen te garanderen. Nu, 8 jaar later, wordt de regelgeving geƫvalueerd.

Christophe Van Couteren - G2 architecten

De Vlaamse stedenbouwkundige verordening toegankelijkheid

 

Sinds 1 maart 2010 bestaat de Vlaamse stedenbouwkundige verordening die de basistoegankelijkheid van publieke gebouwen in Vlaanderen vastlegt (Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid van 5 juni 2009). Een jaar later onderging deze regelgeving nog wat wijzigingen om een aantal zaken te verduidelijken.

 

De verordening geldt bij nieuwbouw, verbouwingen of uitbreidingen van gebouwen die publiek toegankelijk zijn. Banken, horecazaken, openbare toiletten, winkelcentra, handelszaken, kantoorgebouwen, praktijken van vrije beroepen, stations, beurs- en congrescentra, parkeervoorzieningen, appartementsgebouwen ... het zijn maar enkele voorbeelden van gebouwen die sinds de invoering moeten voldoen aan de regelgeving.

 

Het opzet van deze regelgeving is publieke gebouwen beter bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar te maken. Voor personen met een handicap is toegankelijkheid een absolute noodzaak. Het is echter een misvatting te denken dat toegankelijkheid alleen belangrijk is voor mensen met een handicap. Uiteindelijk heeft iedereen baat bij een gebruiksvriendelijke, veilige en comfortabele omgeving.

 

De verordening lezen en begrijpen, enkele ankerpunten.

 

De regelgeving toegankelijkheid is enkel van toepassing op publiek toegankelijke gebouwen in Vlaanderen, waar werken (nieuwbouw, verbouwing, uitbreiding, herbouw …) aan gebeuren waarvoor een vergunning of een melding vereist is. Er is geen verplichting om bestaande gebouwen aan te passen als er geen werken aan gebeuren. Het voldoen aan de verordening is dan ook één van de voorwaarden voor het krijgen van een vergunning tot (ver)bouwen. Wie niet voldoet aan de verordening begaat dan ook een stedenbouwkundige inbreuk.

 

De gemeentelijke omgevingsambtenaren voeren de controle uit op een voorliggend dossier en nemen in de fase van bouwaanvraag een cruciale positie in. Bouwheren en ontwerpers hebben in de concrete realisatie van projecten een belangrijke verantwoordelijkheid om de basistoegankelijkheid te garanderen. 

 

Wanneer het gaat om beschermde monumenten, landschappen ... (erfgoed) zal er een afweging moeten worden gemaakt tussen de erfgoedwaarde en de toegankelijkheid van het gebouw.

 

De regelgeving aftoetsen kan in enkele stappen:

In een eerste stap gaat u na of het gebouw onder het toepassingsgebied van de verordening valt.  

  • Bij toeristische verblijfsaccommodaties wordt er eerst naar het aantal accommodaties gekeken. Zijn dit er niet meer dan tien én is de gemeenschappelijke verbruiksruimte niet groter dan 150 m², dan valt het verblijf niet onder de regelgeving. In de andere gevallen gelden specifieke regels die samengevat worden in schema 2.
  • Bij gebouwen met een woonfunctie zijn het aantal wooneenheden of kamers, in combinatie met het aantal niveaus waarop de toegangsdeuren tot deze wooneenheden of kamers gelegen zijn, bepalend. Onder deze noemer vallen meergezinswoningen, kamerwoningen, studentenverblijven, gezondheids- en welzijnsinstellingen met kamers of wooneenheden, internaten en strafinrichtingen. Schema 3 geeft een overzicht.
  • Bij gebouwen zonder woon- of toeristische verblijfsfunctie is de totale publiek toegankelijke oppervlakte bepalend. Bij kleine gebouwen, met een totale publiek toegankelijke oppervlakte onder de 150 m², is de verordening beperkt van toepassing. Gebouwen tot 400 m² moeten zeker voldoen voor het gelijkvloers. Pas vanaf 400 m² vallen alle publiek toegankelijke delen volledig onder de regelgeving. Meer informatie vindt u in schema 1.

In een tweede stap, moet u nagaan of er specifieke functies voorkomen in het gebouw (art. 6-10, 27 en 29). Voor een verbruiksruimte, pashokjes en kleedruimten, sanitaire voorzieningen, parkeergelegenheid, vaste zitplaatsen en de aanwezigheid van een bestaande toegang bij een uitbreiding of verbouwing, worden namelijk bijzondere criteria opgelegd.

 

In een derde stap past u de normen toe (art. 11-35) in het deel van het gebouw dat moet voldoen. De normen zijn onderverdeeld in 7 thema’s: algemene elementen, looppaden, niveauverschillen, toegangen en deuropeningen, parkeerplaatsen, vaste inrichtingselementen en het aangepast karakter van constructies of delen van constructies.

 

Bij de normen staan er zowel ruwbouw- als afwerkingsmaten. Om controleerbaar te zijn bij het indienen van de vergunningsaanvraag, moet men maten planmatig kunnen controleren. Dat vereiste een vertaling naar ruwbouwmaten. Het kunnen gebruiken van het gebouw is echter een basisvereiste om te kunnen spreken van een goede toegankelijkheid. Dit is steeds afhankelijk van de afwerking. Vandaar de dubbele maatvoering: ruwbouw controleerbaar op plan, afwerking controleerbaar na uitvoering.

 

Praktijktools op maat van de ontwerper

 

Wenst u uitgebreide informatie, meer toelichting bij normen of wilt u op een eenvoudige manier nagaan of een gebouw moet voldoen aan de regelgeving? Surf dan naar de website www.toegankelijkgebouw.be. Hier vindt u de volledige regelgeving, een handboek “Toegankelijkheid publieke gebouwen”, een quickscan en een checklist terug. Daarnaast kan u zich ook inschrijven op de nieuwsbrief waardoor u op de hoogte wordt gehouden van alles rond de toegankelijkheid en de regelgeving.

 

Handboek “Toegankelijkheid publieke gebouwen”: hulp en inspiratie

Het handboek “Toegankelijkheid publieke gebouwen” biedt hulp bij het ontwerpen. Waar de regelgeving zich beperkt tot een aantal basiselementen van toegankelijkheid, gaat het handboek heel wat verder.

 

Het handboek wil een inspiratiebron zijn voor de praktijk. Naast de regelgeving, FAQ’s (veelgestelde vragen) en nieuwsbrief vindt u tekst en uitleg over het hoe en het waarom van de normen. Er zijn ook heel wat aanbevelingen voor detaillering en uitvoering terug te vinden, die de integrale toegankelijkheid in de praktijk verzekeren. De toegankelijkheidsprincipes worden geïllustreerd aan de hand van praktijkvoorbeelden, foto’s en schetsen.

 

Verder vindt u er ook een quickscan, die u kunt gebruiken bij de start en verdere uitwerking van een ontwerp. Op basis van een aantal vragen krijg je een overzicht van de specifieke elementen, opgenomen in de regelgeving, die van toepassing kunnen zijn op een project. Daarna kan de checklist, die concreet weergeeft welke normen gerespecteerd moeten worden, toegevoegd worden bij de vergunningsaanvraag. Dit kan als vervanging van de beschrijvende nota toegankelijkheid die voor de dossiersamenstelling gevraagd wordt. Dit is opgenomen in het addendum over de verantwoordingsnota bij de omgevingsvergunning, en toe te voegen als ‘bijlage B26’:

 

‘een beschrijving van de ruimtelijke context van de geplande werken, meer bepaald: als het een gebouw betreft dat geheel of gedeeltelijk toegankelijk is voor het publiek: de al niet vergunningsplichtige voorzieningen om integrale toegankelijkheid te bereiken voor de personen met verminderde beweeglijkheid. Besteed daarbij bijzondere aandacht aan de voorzieningen die verder gaan dan de wettelijk vastgelegde normen.’   

 

Zowel de ontwerper als de omgevingsambtenaar kan bij Inter advies vragen over de toepassing van de verordening. In enkele gevallen is een advies bij Inter zelfs verplicht om te voldoen aan de verordening. Dit is onder andere het geval voor gebouwen met een publiek toegankelijke oppervlakte groter of gelijk aan 7500m² en overheidsgebouwen die willen afwijken van de normen.

 

Begeleidingstraject toegankelijkheid en Universal design

 

Regels, aanbevelingen en richtlijnen bieden niet altijd een afdoend antwoord om toegankelijkheid naadloos en op creatieve wijze te integreren. Zowel voor het integraal toegankelijk maken van nieuwe projecten als voor bestaande infrastructuur kunt u bij Inter terecht voor een begeleidingstraject. In overleg met bouwheer en architect wordt dan op maat gezocht naar de best mogelijke oplossing. Het is de beste garantie op een maximale toegankelijkheid bij de realisatie van een gebouw.

 

Evaluatie

 

Na 8 jaar is de tijd aangebroken om de verordening te evalueren. Zijn er gebouwen die ten onrechte niet moeten voldoen aan de verordening? Is de verordening te soepel? Is ze te streng? Is ze duidelijk genoeg? Is ze bekend genoeg? Zijn de flankerende instrumenten nuttig? Is er nood aan meer vorming?

 

Deze evaluatie wordt uitgevoerd door Inter. Inter is het Vlaams expertisecentrum rond toegankelijkheid en Universal Design en als dusdanig decretaal erkend als de adviesinstantie in het kader van de Vlaamse stedenbouwkundige verordening toegankelijkheid.

 

Inter zal gemeentelijke omgevingsambtenaren, architecten en gebruikers bevragen, bouwaanvragen bekijken, maar ook een aantal steekproeven op het terrein uitvoeren. Zo kan er nagegaan worden of de verordening ook effectief verandering voor verbetering op het terrein heeft gezorgd bij de gerealiseerde gebouwen.

 

Het is niet de bedoeling om individuele besturen of individuele ontwerpers of bouwheren te inspecteren. Het is de bedoeling om, zo mogelijk, algemene conclusies uit de evaluatie te trekken. Deze conclusies kunnen aanleiding geven tot bijsturingen van de verordening, of tot bijkomende flankerende maatregelen, zoals vorming en begeleiding.

 

In 2018 zal Inter u, samen met NAV, op de hoogte houden van alles wat er reilt en zeilt op vlak van toegankelijkheid, de regelgeving en de evaluatie ervan.

Nuttige links
Meer informatie?

Voor meer informatie over de regelgeving toegankelijkheid of een begeleidingstraject op maat, kan je terecht bij: Inter Vlaams Expertisecentrum Toegankelijkheid en Universal design Belgiƫplein 1 3510 Hasselt Tel. 011 26 50 30 info@inter.vlaanderen Of via de website. Blijf op de hoogte van het laatste nieuws door je in te schrijven op de nieuwsbrief.