Interview

Leo Van Broeck: “Architecten hebben de sleutels van een groene toekomst in handen”

Staf Bellens • 15 mei 2018

Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck nadert stilaan de helft van zijn mandaat. Het geschikte moment voor een terug- en vooruitblik. “We moeten vermijden dat we op een klimaatneutrale manier de natuur vermoorden”, vat hij zijn visie samen in NAV News.

Wat behelsde uw eerste anderhalf jaar als Bouwmeester?

Leo Van Broeck: “Ik heb het speelveld in kaart gebracht en met alle partijen gepraat: politieke fracties, ministers, kabinetten, beroepsverenigingen. Samen met mijn team heb ik dan in een meerjarenplan uiteengezet waarop wij willen inzetten.”

 

En dat is?

Leo Van Broeck: “We moeten komaf maken met het grote misverstand dat alles goed zal komen met alleen maar klimaatmaatregelen. Uiteraard mogen we onze planeet niet tegelijkertijd droog koken en verzuipen, maar er moet ook nog een planeet zijn. Door onze markt, ons bevolkingsaantal en ons gebrek aan ruimtelijk nederigheid vergeten we dat de natuur ruimte nodig heeft. We moeten plaats vrijmaken voor de natuur, in de stadsparken, in de eigen tuin en door af te breken. De meeste stadsparken zijn geen ecosysteem. In de herfst zit daar maar een diersoort, de gele bladblazer.”

 

“In het verkruimelde Vlaanderen is de situatie nog nijpender omdat wij volop open ruimte consumeren, gigantisch veel CO2 uitstoten, een angstwekkende ecologische voetafdruk hebben en almaar verder morsen. Met 2,8% reservaten hebben we het kleinste percentage beschermde natuur. In Engeland is dat bijna 29%. Wil de biodiversiteit overleven, dan moet ze ongeveer een derde van het vruchtbare landoppervlak ongeschonden kunnen gebruiken. Maar de mens benut vandaag al meer dan twee derde van de planeet. Wat als we morgen met 10 miljard zijn? Het wordt dan vechten om water en voedsel. Ons economisch model doet ons de das om. Economische groei in de vorm van een hogere omzet van goederen, zeg maar een A+++ ecovaatwasser die welbewust werd vervaardigd om slechts vijf jaar mee te gaan, verslindt natuur. Het harde kapitalisme op globale schaal creëert afval, toenemende ongelijkheid, kansarmoede en klimaatproblemen.”

 

Wat betekent dat voor de bouwsector?

Leo Van Broeck: “Als we ons beperken tot klimaatmaatregelen en groene technologie, gaan we hopeloos onder de lat door. We moeten ook het ruimtegebruik mee in beeld nemen. Alles wat we doen, vergt ruimte en consumeert een stukje van de planeet. Uiteraard moeten we het energieverlies van gebouwen reduceren, maar als je je uitsluitend concentreert op EPB, is het een maat voor niets, zeker bij gebrek aan handhaving. Bovendien wordt er niet aan de teller gemeten, zodat je probleemloos elektrische radiatoren in een passiefbouw kunt plaatsen en de hele winter met de ramen open stoken. Als je een gebouw afbreekt en vervangt door een ecologisch gebouw, gooi je veel meer CO2 weg dan de energiezuinigheid van dat nieuwe gebouw ooit kan compenseren.”

 

“Vandaar dat ik in mijn eerste ambtsjaar focuste op sensibilisatie voor verdichting. Na ruim 120 lezingen staat verdichting effectief op de agenda. Een selectieve verdichting uiteraard, op plaatsen met voldoende kritische massa, waar openbaar vervoer, winkels, horeca, cultuur, scholen en crèches een plaats vlakbij kunnen krijgen. De boodschap slaat aan omdat ze positief is, wat we onderlijnen in onze film ‘Plannen voor plaats’. Als we het anders aanpakken, verdampen de files, vermindert het fijn stof, krimpt de vervuiling, en gaan de belastingen omlaag omdat de waanzinnige uitgaven voor de huidige verkruimeling wegvallen: de fiscale aftrek voor bedrijfswagens, de aanleg, uitrusting en het onderhoud van wegen en andere infrastructuur, het aantal verkeersdoden.”

 

De speerpuntfunctie van ontwerpers

 

Welke rol is er in die analyse weggelegd voor de architect?

Leo Van Broeck: “Op onze overbevolkte planeet met te weinig ruimte is architectuur geëvolueerd naar stedenbouw die zich buigt over de vraag: hoe ontwerp ik de ruimtelijke aanwezigheid van onze overtallige soort? Daarmee vormt onze sector, die bij uitstek met ruimte bezig is, de speerpunt van een alternatief. Wij hebben de sleutels van een groene toekomst in handen. Maar dan mogen we ons niet tevreden stellen met het ontwerp van een vrijstaande passiefwoning. De natuur zal alleen blijven bestaan als we weigeren om haar vol te tekenen. We moeten inzien dat niet bouwen geen nederlaag betekent, maar een overwinning. We moeten leren neen zeggen tegen ecologisch of maatschappelijk onverantwoorde opdrachten. Wij mogen ons niet medeplichtig blijven maken aan ruimtelijke vernietiging. We mogen niet argumenteren van: inderdaad, 80% van onze patiënten komt kreupel van de operatietafel, maar dat mag van stedenbouw. Wij moeten bij elke ontwerpvraag nagaan of die wel nodig is. Daar zijn we ook voor opgeleid. De mix van positieve en humane wetenschappen maakt van ons systeemdenkers die alle parameters nagaan. Goede architecten stellen automatisch de vraag in vraag en komen daardoor vanzelf tot het antwoord. Rem Koolhaas kreeg de opdracht voor het Casa de Música in Porto omdat hij voorstelde een muziekpaleis met dergelijke doelstellingen en in die stad op een andere, meer geschikte plaats in te planten. Lacaton & Vassal hebben ooit een wedstrijd voor de heraanleg van een openbaar plein gewonnen met hun voorstel om het te laten zoals het was. Uit een maand observatie bleek immers dat alles perfect zat.”

 

Architecten zitten financieel al in de verdrukking. Kunnen ze het zich wel veroorloven om werk te weigeren?

Leo Van Broeck: “Architecten zullen economisch wel varen bij een selectieve opstelling. In de businessschool van Vlerick luidt de eerste les voor toekomstige bedrijfsleiders: ‘the more you say yes, the more turnover you make. The more you say no, the more profit you make’. Als je steevast ja zegt, stijgen je workload en omzet, maar daalt op zeker ogenblik je winst. We moeten afleren om zelfmoord te plegen. Een ‘neen’ resulteert in beter werk. In volle crisisperiode heb ik de erelonen van mijn bureau met 30% verhoogd. Kijk naar de autosector. In moeilijke tijden verkopen alleen nog de heel goedkope en de heel dure wagens, en smelten de tussencategorieën weg. Waar wil je dan zitten? Niet voor niets wordt het beroep van architect het best gehonoreerd in Zwitserland, waar de tussenkomst van een architect niet verplicht is. Wie daar naar een architect stapt, is overtuigd van diens meerwaarde en zal oor hebben voor zijn argumenten om bepaalde zaken niet te doen.”

 

Vrijheid van spreken

 

Uw ecologische boodschap klinkt overtuigend, maar de weerstand en traagheid blijven groot.

Leo Van Broeck: “Eigenlijk ondervind ik veel minder weerstand dan ik had gevreesd. Je hebt inderdaad die blog van de VCB, maar als ik met aannemers praat, krijg ik applaus, omdat ik ervoor zorg dat ze werk blijven hebben. De VCB-blog zit vast in een kringredenering, lijdt aan een gebrek aan inzicht om de nieuwe wereld te omarmen, en dreigt zo gigantische kansen te missen. Zij doet de sector geen goed. Maar ik ben mij er terdege van bewust dat we nog lang niet thuis zijn. Bij de meeste bouwheren moet de cultuuromslag nog komen. Remmende factoren blijven ook de reclameacties van banken, verzekeraars, garden centers en bouwbeurzen waarin vrijstaande woningen een pertinente plek blijven bekleden. Het onderwijs geeft kinderen wel al mee dat de traditionele tekening van huisje, tuintje, boompje voorbijgestreefd is. Alle partijen uit de bouwsector moeten de verkavelingsdroom ook au serieux nemen en goede stadswoningen bouwen of mogelijk maken, waarvan de woonkwaliteit die van een verkavelingsvilla evenaart. De overheid kan dat induceren door een ontwikkelaar toe te laten om op daartoe geschikte plekken enkele bouwlagen meer te realiseren in ruil voor terrassen, collectieve ruimtes, een gezamenlijke barbecue, een daktuin of een kinderspeelplaats. Op dezelfde manier kan een overheid de kwaliteit en veiligheid van de publieke ruimte en de infrastructuur verbeteren zonder zelf geld uit te geven.”

 

“Wat de traagheid betreft: het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen formuleert de juiste doelen, maar is niet krachtig genoeg en zegt niet hoeveel natuur er moet bijkomen. Impliciet bevestigt het wel dat afbreken noodzakelijk is voor de versterking van de groenblauwe netwerken, want er vallen geen nieuwe vierkante kilometers uit de lucht. De principes van het BRV introduceren vergt echter twee afschrijvingstermijnen van vastgoed, en dan komen we te laat. Er dringen zich moedige beslissingen op. Maar de politiek is gebonden aan regeerakkoorden en electorale angst. De Bouwmeester is dat niet. Mijn voordeel is dat ik het niet voor het zeggen heb en dus alles kan zeggen.”

 

Is dat echt zo? In Knack noemde u de bouw van een vrijstaande woning crimineel. Resultaat: heftige politieke reacties in het Vlaamse parlement.

Leo Van Broeck: “Correctie: er waren twee parlementaire vragen en minister-president Bourgeois heeft mij verdedigd. Hij stelde dat mijn verhaal in overeenstemming was met de principes van het BRV, en vond alleen het woord ‘crimineel’ wat sterk. Terecht wellicht, maar in het artikel had ik al verduidelijkt: crimineel als in crimineel zat, onverantwoord dus.

 

U sprak van de nood aan moedige beslissingen. Hoe moedigt u die aan?

Leo Van Broeck: “Op zeker ogenblik zullen we keuzes moeten maken, want je kan geen omelet bakken zonder eieren te breken. Op de grote gemeentelijke autonomie spelen we in met de Bouwmeesterscan, die momenteel wordt uitgerold. Aan de hand van die scan geven we de gemeente suggesties waar hun kansen en zwakheden liggen, en waar ze wel of niet kunnen verdichten. Het is dan aan hen om daarmee iets te doen.”

 

“Met Vlinter, het samenwerkingsverband van de elf Vlaamse intergemeentelijke verenigingen voor streekontwikkeling en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, trachten we mobiele kwaliteitskamers te creëren die kleine gemeenten zonder planningsdienst of stedenbouwkundige medewerker ondersteunen bij de beoordeling van probleemdossiers. Om de Open Oproep ook voor kleinere projecten haalbaar te maken, roepen we een ‘light’ franchiseversie in het leven die wordt georganiseerd door de intercommunales, zoals vandaag al gebeurt met WinVorm. Zo kunnen we het huidige aantal Open Oproepen, dat jaarlijks beperkt blijft tot tien à twintig, hopelijk opdrijven tot enkele honderden. Normaal gaat die light versie eind dit jaar of begin 2019 van start. Lokale besturen kunnen dan meteen bij Vlinter terecht voor methodieken.”

 

IJveren voor een betere verloning

 

Voor uw aanstelling beleefde het Bouwmeesterschap moeilijke dagen. Is het vertrouwen intussen hersteld?

Leo Van Broeck: “Er waren inderdaad politieke discussies, maar het gros van de architecten was van mening dat het Bouwmeesterschap de architectuurkwaliteit wel degelijk had bevorderd. Het algemene aanvoelen was dat de discussies een kans waren om het Bouwmeesterschap te verbeteren. Vandaag kijken er vier experts uit uiteenlopende disciplines en omgevingen mee over onze schouder. Zij zitten enkele keren per jaar met ons aan tafel, sturen kwalitatief, formuleren opmerkingen en hebben ons meerjarenplan kritisch geëvalueerd. Daarmee is het Bouwmeesterschap versterkt uit de crisis gekomen. Ook de negatieve sfeer rond de Open Oproep is voorbij. Er duiken heel wat nieuwe bureaus op. Tot nog toe zag ik geen tekenen van bevoordeling of name dropping en kreeg ik geen enkele vraag om iets te arrangeren. Onze rol blijft ook beperkt. Wij presenteren de gebruiker een voldoende brede voorselectie, waaruit hij drie tot vijf bureaus kiest. Ook in de jury zijn wij bescheiden aanwezig. Wij sturen een externe specialist als projectmanager, maar de keuze ligt vooral bij de mensen die zich er goed moeten bij voelen: het college, de directie, de bevoegde schepen.”

 

U bent de eerste Bouwmeester die daadwerkelijk ijvert voor een beter verloning van de architect.

Leo Van Broeck: “In de Open Oproep doen we momenteel werktijdmetingen om een hogere vergoeding te verantwoorden. Tegelijkertijd trachten we de deliverables redelijk te houden. Zo proberen we de geleverde inspanningen en de vergoeding beter op elkaar af te stemmen. Lokale besturen smaken dat niet altijd. Waarom moeten we plots zoveel meer betalen voor ontwerpers, werpen ze me wel eens voor de voeten. Maar een geloofwaardige overheid kan voor haar kwaliteitsbeleid inzake ruimtelijke ordening en architectuur toch iemand niet naar een structureel verlies dirigeren? Ook economisch is dat onaanvaardbaar. Een uitgemergelde ontwerpsector betaalt geen belastingen. Grote consortia die 300 000 tot 500 000 euro moeten uitgeven om mee te dingen naar een DBFM, brengen de levensvatbaarheid van de deelnemende bedrijven in gevaar.”

 

“Vandaar dat ik, samen met Brussels bouwmeester Kristiaan Borret, bereid ben om op te komen voor betere erelonen. Maar architecten moeten van hun kant wel ophouden hun core business weg te geven voor een appel en een ei. Zij moeten stoppen met gratis haalbaarheidsstudies voor investeerders, in de hoop dat daar een project uit voortvloeit. Zij mogen niet langer onder elkaars ereloon duiken om een opdracht binnen te halen.”

 

Die boodschap is niet nieuw. Toch volhardt men in de boosheid.

Leo Van Broeck: “Er zijn te veel architecten, en te veel architecten kijken vanuit een soort kunstenaarschap neer op geld verdienen. Gevolg: ze weten niet hoe ze een business moeten runnen en doen niet aan werktijdmeting. Anderzijds is ontwerpen een irrationeel proces dat nooit af is en tijd vreet, iets wat de buitenwereld niet begrijpt. Uit de studie van Johan Rutgeerts kunnen we concluderen dat de erelonen moeten verdubbelen als we van onze ontwerppraktijken rendabele kmo’s willen maken. Die boodschap moet de beroepssector blijven verkondigen.”

 

Over de toekomst van het beroep wordt vandaag veel gediscussieerd. Hoe ziet u dat?

Leo Van Broeck: “Een architect moet waterdichte en betaalbare poëzie schrijven. In zijn werk gaan geld, techniek en een sociaal-culturele dimensie hand in hand. De opleiding kan dat vandaag niet meer invullen, vrees ik. Als pas afgestudeerde ingenieur-architect werkte ik de eerste vijf jaar part-time als stabiliteitsingenieur, zodat ik neen kon zeggen tegen opdrachtgevers die een fermette wilden. Voor pas afgestudeerden is dat vandaag niet meer haalbaar, tenzij ze zich via keuzevakken hebben gespecialiseerd. Daarom droom ik van een master na master, twee extra jaren opleiding waarin iemand zich kan specialiseren. Je kan dan wat mij betreft perfect kiezen om een technisch architect te worden die zelf niet ontwerpt. Maar ontwerpers moeten wel generalisten en systeemdenkers blijven. Zij moeten voldoende afweten van stedenbouw, techniek, detaillering, sociologie, ruimtelijke ordening, landschap en mobiliteit om het overzicht te kunnen bewaren.”

 

“Vanuit die visie ben ik geen voorstander van een verplichte permanente vorming. Met zo’n verplichting evolueren we weg van de generalist en lopen we recht in de val van de juridisering. We promoten onszelf als een specialist in isolatie, brandveiligheid, borstweringen, veiligheidsglas, akoestiek et cetera. Bij problemen zal een rechter daarnaar verwijzen om de aansprakelijkheid van de architect in te roepen. Ik heb gevoel dat onze sector zelfmoord aan het plegen is door zich te technocratisch op te stellen als een partij die alles kan en weet, maar zich intussen onvoldoende bekommert om goede architectuur, landschap, stedenbouw, ruimte en natuurvrijwaring. Permanente vorming moet een automatische reflex zijn, net zoals je op reis moet gaan, gebouwen moet bekijken, tijdschriften moet lezen. We moeten onze positie in de maatschappij opnieuw claimen en in ruil daarvoor kwaliteit leveren.”