architect in de praktijk

“The moment before the moment” - Wim Goes

Arnaud Tandt • 13 maart 2019

Het kantoor van Wim Goes Architectuur zit wat verstopt op de bovenste verdieping van een rijwoning in een rustige Gentse straat. Uit de gevel valt niet meteen op te maken dat er een architectenkantoor huist. Ook Goes’ werk schreeuwt niet om aandacht. Dat er desondanks een grote interesse voor bestaat, bleek recent uit de druk bijgewoonde lezing in Gent. Wie die gemist heeft, krijgt in april een nieuwe kans in Leuven (zie onderaan). We spraken Wim Goes met als vertrekpunt die lezing en het gesprek nadien met filosoof Volkmar Mühleis, waarin tijd als thema doorschemerde. Al kwamen we zo meteen ook bij het beeld van architectuur terecht.

Beeld: Klaas Verdu

Het aspect “tijd” steekt – bij nader inzien – al in de titel van de lezing: “The moment before the moment”.
Wim Goes: “Die komt van een boek dat ik ooit gemaakt heb, maar toen dat klaar was hebben we de titel nog gewijzigd. Het bevatte tekeningen over het thema ‘zoeken’. De zogenaamde “overwinningstekeningen”, de ultieme ontwerptekening waarin het sublieme vervat zit, hebben dat boek niet gehaald, zoals meestal wel het geval is. We wilden de afbeeldingen tonen van alles net vóór dat moment, alles wat de potentie heeft om te worden maar nog niet is. Zo illustreren we de twijfel, de zoektocht naar wat/die nodig is om een stuk geladenheid te ontwikkelen waarbij het weten daar al is, maar nog niet samenvalt, nog niet die volheid heeft. Eigenlijk dat moment dat nodig is om de volgende stap te voeden. Voor mij was dat boek geen gemakkelijke opgave omdat het heel persoonlijk en moeilijk is om met twijfels en mislukkingen om te gaan. Maar de vraag is natuurlijk: als dat geen conditie is van architectuur, dan kom je uit bij methodologie. Dat kan een heel belangrijke tool zijn en kan genereren op één manier. Maar in kunst, muziek en architectuur hebben we meer nodig. Daarin komen ook dingen vanuit het niet-weten voort. In architectuur wil iedereen daarentegen sterk overkomen en dus sterk communiceren. Je voelt dat het vandaag heel erg aanwezig is om dat communiceren deel te laten uitmaken van wat een bureau is.”

 

Deze sterke beeldende communicatie hangt ook vast aan een bepaald soort architectuur. Zit er een gevaar – want u alludeerde daarop na de lezing – in het grafischer worden van de Vlaamse architectuur?
Wim Goes: “Ik maakte de vergelijking met Nederland, waar men op een bepaald moment ook heel sterk ingezet heeft op communicatie, visualiteit en het grafisme en waarbij toen een bepaalde spanning gevoeld werd. En levert dit dan de architectuur die we willen? Er is inhoudelijk veel veranderd tussen de gotiek, de middeleeuwen en de renaissance waar het tekenen geïntroduceerd werd als toetssteen om aan de maatschappij te vragen: zijn jullie akkoord dat dit gebouwd wordt? Om zo duidelijk mogelijk te zijn wat die maatschappij van u mag verwachten en vervolgens met gemeenschapsgelden een project te maken. Dat heeft een ongelooflijke invloed gehad op het bouwbare, op het communiceerbare, maar ook maximaal op het medium van het tekenen. Een bepaalde complexiteit uit de middeleeuwen was bijna niet meer tekenbaar. Als je kijkt naar de middeleeuwse architectuur: de kathedraal van Chartres kun je niet tekenen, kun je niet denken. Chartres kun je (enkel) denken doorheen de tijd. Vandaar dat ik graag wijs op het element tijd als essentieel onderdeel om tot architectuur te komen. Vandaar ook mijn kritiek op het grafisme dat een extrapolatie wil zijn van een toekomstige realisatie binnen een gevraagde logica. In architectuur spreken we over het maken van plekken, maar dan kun je je de vraag stellen wat zo’n plek is. Is die plek niet iets dat door het verloop van tijd, door de bezoeker en door de bewoner binnen die context van architectuur in een soort van openheid gecreëerd wordt?”


 

Brug L, 2017, Vlaanderen - Beeld: Kristien Daem

Sinds de renaissance bedenkt de architect een eindbeeld en tekent dat volledig uit. De tijd werkt daarbij tegen jou. Hoe kan je daar vandaag mee omgaan?

Wim Goes: “We zitten natuurlijk niet meer in de gotiek. Ik ben gefascineerd door de zoektocht over wat dat vandaag zou kunnen betekenen. Tijdens een reis in Egypte, in de Sinaïwoestijn, ben ik in het Sint-Catharinaklooster terecht gekomen. Dat liet met niet los en iemand vanuit die gemeenschap heeft me toen gezegd: dat gaat over omgekeerd perspectief. Voor mij was dat overweldigend want wij worden opgeleid in perspectief en denken en communiceren in perspectief. Perspectief is een heel sterke tool om aan extrapolatie te doen en dan spreekt er iemand over omgekeerd perspectief. Ik ben gaan opzoeken wat dit vandaag betekent in de kunst- en architectuurwereld. Zo kwam ik terecht bij David Hockney, Tarkovsky, Kengo Kuma en anderen. Wat me fascineert zijn de consequenties van omgekeerd perspectief tegenover perspectief. Omgekeerd perspectief gaat anders om met het tijdsaspect. Perspectief is eigenlijk enkel mogelijk met een soort gekristalliseerd beeld. In de geschiedenis zijn er echter heel rijke culturen – de Indische, Chinese en Japanse – die in hun presentatie tijdsaspecten anders brengen. Wat betekent dat de kijker daar mobieler is, zowel lichamelijk als geestelijk. Niet alles is gesetteld en de kijker, bezoeker of bewoner van een architectuur moet initiatief nemen om zelf als het ware een realiteit samen te stellen met de dingen rondom hem. Ik denk dat het belangrijk is om architectuur te maken waarbij tijd die mogelijkheid geeft aan verschillende mensen in verschillende tijden. Het is een vorm van duurzaamheid om niet te werken binnen een tijdsfragment waarbinnen een bepaald soort architectuur gegeerd is, maar eerder een soort mechanisme waardoor er een realiteitsverandering is doorheen de tijd. Dat maakt dat die architectuur zich iets moeilijker op een moment laat vatten.”

 

 “De architectuur binnen ons bureau is ook heel sterk gestuurd vanuit de logica van het bouwen en het maken. Ik heb heel lang op werven en in ateliers gewerkt, zoals bij Maarten Van Severen of Hugo Koch, die veel voor zelfbouwers werkte. Ik heb elektriciteit gelegd, beton gegoten, schrijnwerk gemaakt, met glas gewerkt. Maarten Van Severen heeft me leren lassen. Het maken zorgt ervoor dat het niet enkel gaat over het visuele. Er is een geur aan metaal als je het last en hout heeft een andere logica als je het vastneemt en zaagt. Dat is uiteindelijk de logica waarmee we leven.”

 

U spreekt over geur. Ook in uw lezing bleek dat uw oeuvre veraf zit van de tirannie van het beeld. U sprak over het belang van akoestiek in de Flagship store voor Yohji Yamamoto. Waar ook tijd een belangrijke rol in speelde want hoe dieper je de winkel in ging, hoe gedempter en hoe verder af de stad klonk. Dat staat diametraal tegenover het beeld dat architectuur “moet” opleveren.

Wim Goes: “Er spelen natuurlijk meerdere mechanismen, maar het tijdsverloop is inderdaad cruciaal, evenals de bewoner van de stad. Die winkel is een private ruimte, die voor een deel ook een publieke ruimte zou kunnen worden. Het speelt in op de natuurlijke reflex van de hedendaagse stadsbewoner om zich als in een harnas te beschermen tegen alle impulsen. Die geslotenheid staat ten opzichte van de intimiteit, de mogelijkheid om de stof rond je lichaam te voelen, het werk van Yohji Yamamoto. De vraag is niet welk beeld ik moet ontwerpen maar op welke manier we een transitie creëren waarbij er een soort openheid is om ultiem tot die intimiteit te kunnen komen. Yamamoto sprak over “It’s about the air between the skin and the fabric”, wat een heel Japanse reactie is.”

Yohji Yamamoto Flagship Store, 2007, Antwerpen - Beeld: Kristien Daem

U verwees naar Bruno Taut die over Japanse tuinen schreef en hoe tijd daarin bepaald wordt. Dat vindt u misschien ook terug in uw trap (brug) bij Kasteel De Motte waar u speelt met de tredes. Waar het niet het beeld is dat op de eerste plaats komt, maar wel de beleving. Door het aanpassen van de tredes verandert u perceptie van tijd, net zoals bij de stapstenen in de Japanse tuinen.

Wim Goes: “Zeker. Tarkovsky zou daar spreken over “sculpting time”. Ik denk dat het er bij die brug echt onderdeel van uitmaakt. De eerste treden zijn lang en laag en dan worden het hogere treden. Dat betekent dat je een voelbare snelheidsverandering aanbrengt doorheen die architectuur. Dat is zoals de Laurin stair – die trap is bijna een sculptuur – met ongelijke treden. Het voordeel in ons project was dat het niet echt een trap en niet echt een brug was. Het concept hoeft niet duidelijk te zijn. Het is meer een ervaring die overblijft op het einde van het verhaal. De trap is ook niet recht maar buigt af. Je zou kunnen veronderstellen dat dit vanuit de beleving is bedacht, maar het is ook vanuit het maakproces voortgekomen. Door de boogvorm plat te leggen en aan elke voet vast te grijpen is die lichte constructie heel stijf geworden. We hebben alle pre-engineering zelf gedaan en het geheel vanuit de maakbaarheid onderzocht.”

 

Tijd wordt zichtbaar in de texturen van het kasteel zelf. U speelt ook met het groeiproces: wat u toevoegt, plaatst u als ruïne.

Wim Goes: “Het komt niet vanuit één richting en dat maakt het moeilijk om te capteren. We restaureren met kalk, waar maanden van technische ontwikkeling aan vooraf gingen om een bepaalde transparantie te bekomen waardoor de tekens van de tijd nog zichtbaar zijn. Het torentje lijkt het oudste te zijn – dat was ook de insteek van monumentenzorg – maar dat bleek dat niet zo te zijn. Wij hebben dan het “oudste” element gebouwd in het water, wat refereert naar de vesting, maar dat bleek dus het nieuwste te zijn. De kalk zorgt dat in nuances het geheel als eenheid gepercipieerd wordt. Op een bepaald moment treedt een stuk vervreemding op in wat we bijgebouwd hebben. Als je naar de nieuwe ramen kijkt, is er een soort tegenlichtsituatie (door de zenitale belichting is het interieur verlicht, nvdr), wat vreemd is tegenover de antracieten ramen van het kasteeltje. De bakstenen architectuur met bogen lijkt op het eerste moment misschien oud, maar hoe langer je kijkt, hoe meer je merkt dat het een hedendaagse toevoeging is. Toen we dit ontwierpen hielden we in het achterhoofd dat het voor een kunstverzamelaar was. Die bogen zijn van binnenuit ook nog heel zichtbaar en capteren op een fantastische manier de bomen in het parklandschap. Daartegenover hebben we de binnenwand er net achter gezet en wél recht gemaakt. Zodat het kunstwerk ook niet de referentie zoekt ten opzichte van die overweldigende buitenomgeving. Eigenlijk gaat het over een overgang tussen de logica van het park en die van het kunstwerk, en die twee elementen: de boogvorm en de rechte vorm zijn daar boven elkaar gezet. Het is met andere woorden geen formalistische beslissing, maar het maken van een overgangssituatie die beide toelaat of in een bepaalde relatie brengt.”

Refuge II, 2014, Nevel - Beeld: Filip Dujardin

Tijdelijkheid definieert het project van Refuge II.

Wim Goes: “Hoe een gebouw gemaakt wordt, bepaalt de architectuur. Refuge II werd gebouwd in stro: een boer die komt aanrijden met lokaal materiaal om het te bouwen en ditzelfde materiaal dan gebruikt om het uit te spreiden over het landschap als fertilisator. Dit was ook onderdeel van het ritueel. Refuge II is een tijdelijk verblijf voor een ALS-patiënt, een heel precaire situatie waarbij alle hoop ontnomen is aan vrienden en familie. We zochten een manier om een ritueel toe te passen om mensen te verenigen door het samen bouwen. Dit project is gemaakt in de logica van iemand die niet kan bouwen, maar dingen op elkaar zet en fouten maakt.”

 

Toen ik het project Refuge II in het Belgisch Paviljoen zag, bleef vooral die materialisatie, van stro achter glas bij. Ik heb dat project pas echt begrepen en op een andere manier geapprecieerd dankzij uw lezing. Het gaat niet enkel over een materialisatie die duurzaam of symbolisch is, maar ook over graden van intimiteit. Het is zo ontworpen dat de private ruimte rondom hem kleiner wordt naargelang de ziekte vordert. Dat pakte me, ik heb aftakeling nog nooit zo scherp in architectuur gevat gezien.

Wim Goes: “Dat was confronterend. Het is geen romantisch beeld. Trouwens dat glas, dat was het goedkoopste. We moesten enorm letten op de economie, het is een tijdelijk project. Enkel glas is veel goedkoper dan hout. Dat dan op een bepaald moment het stro liet zien. Goed, dat heeft voor een deel de herkenbaarheid van het project groter gemaakt, achteraf bekeken. Maar zoals u zelf aangeeft: daarom is die perceptie niet de juiste. Dat toont heel duidelijk op welke manier we een bril opgezet krijgen. Dat is het beeld, maar daar gaat het niet over. Het maakt daar wél onderdeel van uit. U hebt zelf ook een evolutie gemaakt in Refuge II, dat toont op welke manier tijd daar zijn werk heeft gedaan. Als het enkel dat beeld was, dan had u dat al achter u gelaten.”

Lezing op do. 4 april 2019 om 20u in Kunstencentrum STUK, Leuven

Brug L bij kasteel de Motte, 2017, Vlaanderen - Beeld: Kristien Daem