Technische installaties

Eisen voor installatielawaai in woningen

prof. dr. ir. Marcelo Blasco • 16 juli 2020

Dit artikel spitst zich toe op installatielawaai binnen de context van de Belgische akoestische norm voor woningen NBN S01-400-1. Onder installatielawaai verstaan we het geluid geproduceerd door technische installaties die een vast onderdeel zijn van een woning of gebouw, zoals bijvoorbeeld een gasketel, een warmtepomp, een lift, een waterkraan, een automatische poort, … - een muziekinstallatie valt er dus niet onder.

Deze installaties kunnen deel uitmaken van een bouwproject, maar worden meestal geïnstalleerd door onderaannemers. Correcte en voldoende brede communicatie naar de onderaannemers en akoestische kennis zijn van cruciaal belang. Zo kan een lichte afwijking in de montage van het toestel een grote impact hebben op de geluidsvoortplanting in het gebouw, met alle gevolgen van dien. Hier wordt vaak te weinig aandacht aan geschonken. Verder is gebleken dat het ook niet evident is om alle detailleringen in orde te brengen. Daarvoor moet je immers zowel rekening houden met de eisen van het toestel als met de speciale verbindingen met de ruwbouw en eventuele doorvoeren doorheen constructies. Nochtans zijn de akoestische eisen, gestipuleerd in de Belgische norm NBN S01-400-1, bijzonder streng voor installatielawaai. Het is trouwens zo dat de kans groot is dat niet altijd aan deze eisen wordt voldaan. Ten opzichte van het thema geluidsisolatie (gevels, wanden en vloeren) is die kans zelfs groter.

 

We zullen het installatielawaai binnen de akoestische norm toelichten en focussen op concepten om het lawaai zoveel mogelijk te beperken.

 

Normalisatie

 

De norm die de akoestische eisen vastlegt in woningen in België is de NBN S01-400-1 (2008). Deze norm heeft een hoofdstuk dat handelt over installatielawaai. In dat hoofdstuk worden twee eisen gestipuleerd:

  • enerzijds het beperken van het installatielawaai in de ruimte waar de installatie zich bevindt (we zullen dit eis 1 benoemen)
  • en anderzijds het beperken van de overschrijding van het achtergrondlawaai binnen een slaapkamer en woonkamer/studeerruimte ten gevolge van installaties (inclusief leidingen en kokers) die zich buiten die ruimte bevinden (doch deel uitmaken van het gebouw) en van leidingen en kokers binnen die ruimte (we zullen dit eis 2 benoemen).

 

Eis 1 betreft met andere woorden het lawaai dat de installatie produceert in een ruimte zelf (vb. in een WC, technische ruimte,…) en de beperking van dat geluidsdrukniveau. Het gaat dus over geluid in een woning en binnen diezelfde woning.

 

Eis 2 neemt het geluid van technische installaties (vb. een lift) gelegen buiten de ruimte onder beschouwing (vb. de slaapkamer), maar ook uitzonderlijk het geluid van leidingen en kokers in die ruimte. Om specifiek deze impact te becijferen kijkt men hoe luid het lawaai is van die bron ten opzichte van het heersende achtergrondlawaai in de beschouwde ruimte. Men kijkt dus naar het verschil (=de “overschrijding”) tussen het (maximale) geluidsdrukniveau van de bron en het achtergrondlawaai, beide gemeten in die te beschouwen ruimte. Als het lawaai niet veel hoger is dan het normale achtergrondlawaai in die woning, zou zich geen probleem mogen stellen. De norm maakt hier wel onderscheid tussen een toetsing in een slaapkamer of in een woonkamer. In een slaapkamer zal die overschrijding natuurlijk kleiner moeten zijn dan in een woonkamer/studeerruimte. Alle woonentiteiten waar dit getoetst wordt maken deel uit van een groter geheel (vb. appartementen in een gebouw), maar het wordt ook toegepast tussen (nieuwbouw) rijwoningen.

Voor het beperken van het installatielawaai volgens eis 1 wordt het lawaai gemeten en becijferd door de parameter LAinstal,nT (“het gestandaardiseerde installatielawaai”). Dat is een akoestische parameter die wordt gemeten volgens bepaalde voorschriften uit de EN ISO 10052 en moet bekeken worden als een A-gewogen geluidsdrukniveau. Binnen het kader van dit inleidende artikel gaan we hierover echter niet meer verder in detail.

Er zijn verder twee kwaliteitsniveaus: normaal akoestisch comfort en verhoogd akoestisch comfort. Let in het bijzonder op voor het lawaai van een dampkap in een keuken. De norm zegt niets rechtstreeks over de stand van de dampkap (vb. debiet). De EN ISO 10052 stipuleert daarentegen wel dat de luidste stand moet gebruikt worden tijdens de metingen. Dit is bijzonder streng, in het bijzonder voor het verhoogde comfort.

Eis 1: Overzicht van de beperking van het installatielawaai voor bronnen binnen de woning/woonentiteit volgens NBN S01-400-1 (2008)

Vervolgens bekijken we het beperken van de overschrijding van het achtergrondlawaai binnen slaapkamers en woonkamers volgens eis 2. Daarvoor vergelijken we het verschil in dB in de ruimte (enkel voor een slaapkamer of woonkamer/studeerruimte).  De vergelijkingspunten zijn enerzijds het maximale brongerelateerde geluidsdrukniveau in een meetpunt en gedurende een bepaalde tijdsduur gelinkt aan de specifieke werkingscyclus van die bron (volgens EN ISO 10052) en anderzijds het achtergrondlawaai in datzelfde meetpunt wanneer de bron niet actief is.

 

Er zijn verschillende aspecten die meer uitleg behoeven. We hebben het feit dat het “maximale” geluidsdrukniveau wordt gemeten en niet een “gemiddeld” geluidsdrukniveau van de bron. (Het “maximale” niveau is hier niet het allerhoogste niveau van die meetcyclus doch benadert die wel; dit heeft te maken met de meettechniek). Nemen we als voorbeeld het doorspoelen van een WC, dan beschouwen we als meetduur de volledige cyclus gaande van het legen van het waterreservoir totdat het waterreservoir terug volledig gevuld is. In deze meetperiode nemen we het meettechnische maximale geluidsdrukniveau als referentiewaarde. Dit is dus erg streng. Om de overschrijding te becijferen moeten we dan nog het achtergrondlawaai in de ontvangstruimte meten. Hiervoor wordt een A-gewogen equivalent geluidsdrukniveau gemeten. Dit is uiteraard wanneer de externe bron niet in werking is. Bovendien moet elke andere bron eigen aan de ontvangende woonentiteit ook stilgelegd worden, zoals de radio, TV, wasmachine,… . Dit achtergrondlawaai geeft dus een indruk van het lawaai in de omgeving (vb. stadsomgeving versus natuurlandschap) maar ook van het geluidsisolatieniveau van de gevel.

 

Het is zo dat hoe beter de akoestische gevelisolatie is, hoe lager het achtergrondlawaai in de ruimte. Daarbij wordt deze eis voor het installatielawaai ook strenger. Typische waarden in Vlaanderen voor het achtergrondlawaai fluctueren tussen de 20 dB(A) en 30 dB(A). Stel bij wijze van voorbeeld dat het gemeten maximale geluidsdrukniveau in een slaapkamer ten gevolge van de werking van de lift in het gebouw 45 dB(A) bedraagt en dat het achtergrondlawaai in die slaapkamer 25 dB(A) bedraagt, dan zal de overschrijding zoals gedefinieerd in de norm 20 dB(A) bedragen. Dit zal natuurlijk niet kunnen voldoen aan de eis uit de norm. Zoals blijkt uit de tabel moet de overschrijding altijd kleiner zijn dan 3 tot 6 dB.

Eis 2: Beperking van het achtergrondlawaai in een woning/woonentiteit ten gevolge van installatie buitenn die entiteit maar deel uitmakende van het gebouw uit

Belangrijk op te merken is dat er een nieuwe Belgische norm in de maak is van de NBN S01-400-1. Wanneer deze van kracht zal zijn is nog niet geweten, maar we vermoeden onder voorbehoud tegen einde 2020 of begin 2021. In deze nieuwe versie van de norm zal eis 2 vervangen worden door enkel een beperking van het installatielawaai en niet meer van de overschrijding ervan ten opzichte van het achtergrondlawaai. Dat is althans wat de huidige draftversie van de norm laat verstaan.

 

Samenvattend: enkel eisen met betrekking tot het beperken van installatielawaai in een bepaalde ruimte ten gevolge van bronnen binnen EN buiten de ruimte in de woning/woonentiteit (maar gelegen in het gebouw) zullen van toepassing zijn. Wat ook nieuw is in dat verband is dat bij deze beperking naast het gestandaardiseerde installatielawaai (in de toekomstige norm anders dan in de huidige aangeduid door LAeq,nT) ook het maximale geluidsdrukniveau van de installatie (LAF,max,nT) zal moeten beperkt worden. De waarden zelf worden ook iets strenger (lees: lager in getalswaarde). Let verder op dat er in de nieuwe norm drie kwaliteitsniveaus zijn (in tegenstelling tot de huidige norm met enkel normaal en verhoogd comfort), gaande van hoog naar laag: klasse A, B en C.

Overzicht van de beperking van het installatielawaai voor bronnen binnen de ruimte van een woning/woonentiteit volgens de nieuwe NBN S01-400-1 (2020 of 2021?) (onder voorbehoud). In rood gearceerd zijn doorgaans strenge waarden.

Overzicht van de beperking van het installatielawaai voor bronnen buiten de ruimte van een woning/woonentiteit (doch in het gebouw) volgens de nieuwe NBN S01-400-1 (2020 of 2021?) (onder voorbehoud). In rood gearceerd zijn doorgaans strenge waarden.

Praktische uitvoering

 

Het belangrijkste concept bij installatielawaai is het geluid zoveel mogelijk te beperken aan de bron zelf. Dit kan bewerkstelligd worden door:

  • een zo stil mogelijke bron te kiezen (vb. type ventilator),
  • de bron akoestisch te ontkoppelen van de constructie,
  • de locatie van de bron strategisch te kiezen en
  • de ruimte van de bron akoestisch te isoleren van de omgeving.

 

Laten we deze vier strategieën even verduidelijken. Ten eerste de keuze van de bron. Het is duidelijk dat hoe stiller de bron is, hoe minder acties we verder zullen moeten uitvoeren. Een stillere bron betekent echter veelal ook een duurdere bron. Bij mechanische ventilatiesystemen moeten we ook kijken naar de correcte debieten en dus de ventilatiesnelheden. Deze worden best beperkt in de eindstukken tot 2 m/s en lager in woningen. Men zou ook aansluitend kunnen opteren om akoestische (leidings)dempers te gebruiken.

 

Ten tweede, zelfs een schijnbaar “stille” bron kan door “stijve” verbindingen met de structuur trillingen versterkt doorgeven, in het bijzonder wanneer ze hard verbonden is met een lichte en buigstijve wand. Deze trillingen verspreiden zich met een transmissiesnelheid van ongeveer 4 à 5 kilometer per seconde doorheen het gebouw. Het is dus uitermate belangrijk om speciale akoestische ontkoppelingsmaterialen te gebruiken bij de bevestiging van de bron aan de structuur. Let op: niet zomaar elk veerkrachtig materiaal komt hiervoor in aanmerking. Vaak ziet men toepassingen waarbij aannemers generieke materialen gebruiken, met weinig kans op succes. Het type materiaal en samenstelling worden daarom zorgvuldig bepaald aan de hand van de inwerkende krachten (vb. gewicht van de bron) die op de verbindingen komen. Een vaak gebruikte toepassing is het gebruik van akoestische beugels voor de ophanging van afvoerleidingen. Let op dat deze akoestische beugels niet te hard mogen opgespannen worden, anders dreigt de nodige dempende werking verloren te gaan. Er zijn verschillende producenten op de markt die architect/aannemer hierbij rechtstreeks kunnen helpen.

 

Ten derde is de strategische locatie van de bron cruciaal. Het plaatsen van een lift naast een slaapkamer is vragen om problemen. Dit wordt best vermeden. Ook doorvoeren spelen hier een cruciale rol: ga altijd na of doorvoeren doorheen de constructie de akoestische isolatie van die constructie niet teniet doen door lokale akoestische verzwakkingen.

Ten vierde moet het uitgestraalde luchtlawaai van de bronnen akoestisch geïsoleerd worden. Dit kan door het gebruik van plaatmateriaal (vb. gipsplaten) in combinatie met minerale wol. Minerale wol is een akoestisch absorptiemateriaal en wordt altijd in de caviteit/spouw geplaatst om een zo maximaal mogelijke akoestische isolatie te waarborgen. Ook het gebruik van ontdubbelde wanden kan oplossingen aanbieden voor bijvoorbeeld liftschachten. Let hierbij op dat de liftrails ook akoestisch ontkoppeld worden van de structuur van de schacht.

Het rechtstreeks becijferen van de akoestische impact van bepaalde oplossingen is hier niet eenvoudig. Er zijn zoveel parameters en onbekenden dat een correcte waardebepaling zo goed als onmogelijk is. We kunnen wel een relatieve evaluatie maken, zoals het rangschikken van oplossingen naar graad van akoestische impact.

Van links naar rechts: onkoppeling door akoestische beugels, verbeteren van het tracé van leidingen, akoestische isolatie van de bron door voorzetwanden

Voorbeelden van vaak gebruikte oplossingen (akoestisch ontkoppelen badkuip, akoestisch ontkoppelen liftrails)

Klachten van installatielawaai na de oplevering zijn een groter probleem. In projecten ziet men vaak foutief geplaatste (afvoer)leidingen die op hun plaats gehouden worden door cementdots, of leidingen die omwille van het nodige verval structurele vloer en zwevende dekvloer met elkaar verbinden. Ook badkuipen of doucheplaten die rechtstreeks en hard verbonden zijn met de structurele vloer en wanden komen voor, of gasketels die via multiplex hard verbonden zijn op lichte en buigstijve wanden, … Deze gevallen worden meestal beslecht in gerechtsexpertises. In deze gevallen is het vaak zo dat een eenvoudige verbetering niet bestaat, in tegenstelling tot akoestische isolatieproblemen waar het eenvoudig plaatsen van een voorzetwand meestal volstaat om tot een oplossing te komen. Bij afgewerkte en reeds bewoonde projecten wordt een oplossing formuleren na een grondige analyse een pijnlijke zaak als we denken aan bijvoorbeeld het uitbreken van de vloer of het vervangen van het ventilatiesysteem. Hierbij komt nog de welwillendheid van de bewoners om toe te laten dat bepaalde onderdelen van hun woning (vb. technische schacht, vloer, sanitair,…) worden afgebroken. Het blijft een moeilijk probleem.

Conclusies

Installatielawaai is een complex onderwerp. Dit geldt niet zozeer voor de keuze van de materialen maar vooral voor de uitvoering. Een kleine fout kan grote gevolgen hebben. Dit komt door de injectie van energie in een veelal lichte en stijve structuur. Doordat verschillende onderaannemers (sanitair, ventilatie, liften, poorten) in een project betrokken worden is een eenduidige en correcte communicatie primordiaal. Ook voldoende aandacht vestigen op dit probleem en zijn gevolgen is nodig. Hiervoor is kennis vereist en bestaat de nood om partijen te betrekken die de verschillende partners kunnen bijstaan in hun keuzes en uitvoeringen.

 

De gestipuleerde eisen in de norm zijn (erg) streng. Vergeet daarom niet in een (verkoops)lastenboek aan te duiden welke akoestische kwaliteitsniveaus in het project nagestreefd worden. Dit helpt enerzijds om correct met de toekomstige bewoners te communiceren maar anderzijds voorkomt het ook dat je bij een eventuele gerechtsexpertise geconfronteerd te worden met slechte verrassingen, bijvoorbeeld wanneer de deskundige of rechter zou menen dat voor dat project het verhoogd comfort (of klasse A volgens de toekomstige norm) van toepassing is, terwijl impliciet een lagere kwaliteit werd nagestreefd.

Bronnen