Technische installaties

Nieuwe norm voor ontwerp van stookafdelingen verstrengt voorschriften voor kleinere installaties

Silvia De Nolf • 17 juli 2020

Sinds 17 september 2019 is er heel wat veranderd op het vlak van stooklokalen en verwarmingsinstallaties. Tot voor kort waren de voorschriften voor kleine en grote installaties erg verschillend. Met de nieuwe normen NBN B61-001 en NBN B61-002 is een harmonisatie beoogd. Dat betekent dat met name voor de kleinere installaties de norm erg verstrengd is en dat u als architect van in de fase van het voorontwerp maatregelen zal moeten nemen.

De vorige norm NBN B 61-001 -  voor het ontwerp van stookafdelingen met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 70kW -  dateerde al van 1996. De vorige norm NBN B 61-002 – voor het ontwerp van stookafdelingen met een totaal nominaal vermogen kleiner dan 70kW - dateerde van 2006. Al sinds 2015 was men begonnen met de aanpassing van deze normen maar het duurde tot 17 september 2019 tot men de nieuwe normen kon bekrachtigen. Deze normen gaan enkel over het ontwerp van stookafdelingen, het ontwerp van rookafvoerkanalen maakt intussen deel uit van een andere norm  - NBN EN 15287-1 en NBN EN 15287-2.

Toepassingsgebied van de normen

Het toepassingsgebied van de vernieuwde normen is niet veranderd. Ze zijn zowel van toepassing op nieuwe stookafdelingen als op de aanpassing van bestaande stookafdelingen, al zijn de voorschriften voor deze laatste heel wat minder ingrijpend. Ze zijn niet van toepassing voor directe verbrandingstoestellen zoals houtkachels en gasconvectoren of voor industriële processen. Ze gelden ook niet voor verwarmingstoestellen waar geen verbranding aan te pas komt zoals zonneboilers en warmtepompen. Bij de bepaling van de vermogens voor de berekeningen is rekening gehouden met een temperatuurregime van 80/60°. Voor de berekeningen in de norm dient men rekening te houden met alle verbrandingstoestellen die in de stookafdeling aanwezig zijn.

Voorschriften in verband met de bestemming van het stooklokaal

Voor wat de bestemming betreft zijn er een aantal veranderingen in de nieuwe norm.

 

Bij vermogens ≥70kW mag het lokaal enkel en alleen een bestemming hebben voor technische uitrustingen. Er wordt in de norm wel aanbevolen om in het lokaal geen uitrustingen te installeren die koelmiddelen gebruiken. Bij lekkage zouden deze immers corrosie kunnen veroorzaken aan de verbrandingstoestellen.

Er wordt ook een verschil gemaakt tussen open en gesloten verbrandingstoestellen. Bij open verbrandingstoestellen wordt de verbrandingslucht uit het stooklokaal afgenomen. Bij gesloten verbrandingstoestellen wordt de verbrandingslucht via een gesloten kanalensysteem rechtstreeks aan de buitenlucht onttrokken. Indien het vermogen <70kW en het stooklokaal geen open verbrandingstoestellen bevat, mag het ook andere bestemmingen hebben. Het toestel mag ook in een wandkast geplaatst worden.

 

Wanneer er een open verbrandingstoestel aanwezig is mag het stooklokaal geen enkel andere bestemming hebben dan een garage of een bergplaats.

 

Wanneer de architect bijvoorbeeld geconfronteerd wordt met een badkamerrenovatie, met daarin een verbrandingstoestel, dan zal u moeten kiezen voor een gesloten type.

 

Bovendien is het dan aanbevolen om geen waterverzachter of ventilatie- en luchtbehandelingstoestellen in het lokaal te voorzien. Deze eisen zijn een stuk strenger dan in de vorige norm en worden gerechtvaardigd door de aanwezigheid van verbrandingsluchttoevoer en de mogelijke interacties tussen het stooklokaal en het rookkanaal. Voor bestaande stooklokalen is het niet altijd mogelijk om aan de ontwerprichtlijnen van de norm te voldoen. In de bijlage van de norm worden een aantal versoepelingen aangegeven voor bestaande stookafdelingen. Zo mogen open verbrandingstoestellen wel geplaatst worden in andere ruimtes dan een garage of een berging, maar niet in een slaapkamer, badkamer of toilet. Als het totaal nominaal vermogen ≥ 30kW mag het bovendien ook niet geplaatst worden in een woonkamer, keuken, bureau of speelkamer.

Toegankelijkheid van het stooklokaal

In de nieuwe norm worden bovendien ook bijkomende voorwaarden opgelegd voor de bereikbaarheid van de verwarmingstoestellen. Er wordt aanbevolen om de inplanting van het stooklokaal zorgvuldig te kiezen en al vroeg in het ontwerp te bepalen. Hierbij wordt niet meer alleen rekening gehouden met veiligheid en gezondheid maar ook met gebruiksgemak en toegankelijkheid.

 

De toegang tot het stooklokaal moet vanaf de openbare weg tot de stookinstallatie een vrije hoogte van 2 m hebben en een vrije breedte van 0,7 m. Deze toegang mag voor andere doelen gebruikt worden dan enkel de toegang tot het stooklokaal, maar mag expliciet niet gebruikt worden voor de opslag van brandstof. Vloeropeningen moeten eveneens een kleinste afmeting van 0,7 m hebben en dienen over een vaste trap te beschikken.

 

De typische veel voorkomende opstelling van een gaswandketel op de zolder, met een intrekbare zoldertrap als enige toegang, wordt expliciet verboden in de norm. Dat heeft serieuze implicaties voor het ontwerp.

 

Voor stooklokalen met een vermogen ≥70kW wordt aanbevolen dat er een rechtstreekse toegang van buiten het gebouw is om het materieel te kunnen binnenbrengen, maar dit is niet verplicht. Ook is het niet meer verplicht dat de toegang tot het stooklokaal rechtstreeks aansluit op een evacuatieweg.

 

De eisen voor de toegankelijkheid van het stooklokaal vervallen volledig als het om de renovatie van een bestaand stooklokaal gaat. Op bestaande zolders zal dus nog steeds een oude stookinstallatie vernieuwd mogen worden.

Opstelling van de verbrandingstoestellen

De bouwkundige eisen van stooklokalen zijn voor de vermogens ≥70kW  en <70kW  eenvormiger geworden. Hierdoor zijn ze voornamelijk voor de vermogens ≥70kW een stuk eenvoudiger geworden. De norm spitst zich voornamelijk toe op de opstelling van het verbrandingstoestel. Zo worden bijvoorbeeld geen bouwkundige eisen inzake brandweerstand van de wanden en deuren meer opgenomen.

 

Voor de brandveiligheidseisen verwijzen we dan ook naar het KB van 7 december 2016, de “Basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing nieuwe gebouwen”

 

Vóór elk verbrandingstoestel moet een vrije ruimte aanwezig zijn. Deze moet minstens even breed zijn als het verbrandingstoestel met een minimum van 0,7 m. De diepte moet minimaal 0,8 m zijn. De vrije hoogte moet minimaal 2 m zijn. Uiteraard moet hierbij ook rekening gehouden worden met de instructies van de fabrikant van het verbrandingstoestel.

 

Daarnaast zijn er nog enkele aanbevelingen voor te bewaren afstanden: minimaal 0,1 m aan alle zijden behalve de achterkant en de onderkant voor op de grond staande toestellen, minimaal 0,5 m aan de zijden waar aansluitingen voor water en/of lucht aanwezig zijn en minimaal 0,8 m aan de zijden waar het toestel bereikbaar moet zijn voor onderhoud of bediening.

 

Voor de aanpassing van stookinstallaties in een bestaand gebouw gelden opnieuw soepelere voorschriften. In dat geval wordt de vrije ruimte rond de toestellen bepaald door de eisen van de fabrikant.

Andere voorschriften

Wanneer in het stooklokaal verbrandingstoestellen op gas zwaarder dan lucht – zoals propaan of butaan - aanwezig zijn komen er nog enkele bijkomende eisen bij. In dat geval moet er een niet-afsluitbare luchtafvoer aanwezig zijn ter hoogte van de vloer. Deze luchtafvoer moet rechtstreeks in verbinding staan met de buitenkant van het gebouw of via een kanaal met een neerwaartse helling. Hiervan mag u afwijken als er een gasdetectiesysteem aanwezig is.

 

Opvallend is dat er vanaf nu ook een waterafvoer moet voorzien zijn in stooklokalen met een vermogen <70kW. Het gaat hierbij om een klokputje met waterslot dat gravitair wordt aangesloten op de riolering.

 

Dit waterslot dient goed nagezien te worden om te vermijden dat gassen uit de afvoerbuizen in het stooklokaal terecht komen en daar voor corrosie van de verbrandingstoestellen zorgen.

 

De waterafvoer via een kloksifon is niet verplicht bij de renovatie van stookinstallaties in een bestaand gebouw.

Toevoer van verbrandingslucht bij open verbrandingstoestellen

Open verbrandingstoestellen worden bij een volledige renovatie bijna altijd vervangen door gesloten toestellen. De regels voor open verbrandingstoestellen zijn dan ook vooral van toepassing bij oudere installaties.  De architect zal hier dus minder vaak mee te maken hebben. Als dat toch het geval is, dan volgen hierna de stelregels.

 

Bij open verbrandingstoestellen moet een verbrandingsluchttoevoer voorzien worden. Hiervoor wordt dan een aanvullende specifieke luchttoevoer voorzien. Deze mag zowel mechanisch als natuurlijk zijn, maar de voorkeur gaat uit naar een natuurlijke luchttoevoer.

 

De verbrandingsluchttoevoer voor een open verbrandingstoestel moet ofwel via een luchtrooster in de buitenwand van het lokaal aangebracht worden ofwel via een kanalenstelsel dat rechtstreeks in verbinding staat met de buitenkant van het gebouw.

 

Toevoer via een ander lokaal wordt in de nieuwe norm niet meer toegestaan. Deze toevoer dient berekend te worden en bevindt zich best onderaan het stooklokaal. Voor de juiste berekeningswijze verwijzen wij in dit artikel naar de norm.

 

Ook hier wordt een uitzondering gemaakt voor de renovatie van bestaande stooklokalen. De verbrandingslucht van open verbrandingstoestellen mag in dit geval toegevoerd worden via één of maximaal twee andere lokalen.

 

Bij gesloten verbrandingstoestellen wordt het toestel via een gesloten kanalensysteem aangesloten op verbrandingslucht van buiten het gebouw. Dit gebeurt volgens de voorschriften van de fabrikant van het toestel en wordt niet beschreven in de norm.

Ventilatie van stooklokalen

De stookafdeling moet geventileerd zijn. In de nieuwe normen werden de voorschriften voor de ventilatie volledig vernieuwd. Het luchttoevoerdebiet en het luchtafvoerdebiet worden nu berekend met behulp van in de norm beschreven formules. Deze berekeningswijze is aanbevolen maar niet verplicht. Er mag dus een alternatieve berekeningswijze worden toegepast.

 

De luchttoevoer kan zowel natuurlijk of mechanisch zijn maar dient rechtstreeks via de buitenwand of via kanalen in contact met de buitenlucht gerealiseerd te worden. Bij stookinstallaties <70kW mag de luchttoevoer ook gebeuren via aangrenzende lokalen die toebehoren aan hetzelfde gebouw. De luchtafvoer kan eveneens zowel natuurlijk als mechanisch zijn behalve wanneer er open verbrandingstoestellen in het stooklokaal aanwezig zijn. Dan dient de luchtafvoer natuurlijk te zijn.

 

Net zoals bij de opening voor verbrandingslucht moet er zorg voor worden gedragen dat ongewenste voorwerpen of dieren geen toegang hebben tot de openingen. Het bovenste deel van de luchtafvoeropening moet zich op minder dan 0,1 m van het plafond van het stooklokaal bevinden. De luchtafvoer mondt het beste uit in het dak. Bij natuurlijke luchtafvoer moet ook nog eens nagegaan worden of het gecumuleerde drukverlies voor alle elementen samen kleiner of gelijk is aan 3Pa. Dit luchtverlies wordt dan berekend volgens de bijlage bij de norm.

Voorbeeld

In de meeste gevallen loopt het in de norm aanbevolen ventilatiedebiet redelijk hoog op.

 

Het in de norm aanbevolen ventilatiedebiet zou een significante impact kunnen hebben op het E-peil van de woning.

 

Onderstaande voorbeeld licht dit toe.

Het stooklokaal heeft een oppervlakte van 9 m². Er wordt een stookinstallatie van 32 kW geplaatst. Het benodigde ventilatiedebiet is het maximum van het ventilatiedebiet nodig om oververhitting te beperken en het ventilatiedebiet nodig om vervuilende stoffen af te voeren, telkens verminderd met het verbrandingsluchtdebiet bij open verbrandingstoestellen. In dit eenvoudige geval is het aanbevolen debiet 92 m³/h.

 

Men kan zich de vraag stellen of dit debiet wel realistisch is voor kleine installaties. Daarnaast stelt zich de vraag of het om een permanente dan wel een vraaggestuurde ventilatie gaat. Dit wordt immers niet verduidelijkt in de norm. De nieuwe norm is dus nog voer voor discussie.