De Europese natuurherstelwet is veel meer dan nieuwe milieuwetgeving. Voor architect en gastdocent Luc Eeckhout (KU Leuven) luidt ze een fundamentele omslag in voor architecten en stedenbouwkundigen. Niet langer staat het gebouw centraal, maar het ecosysteem waarin het wordt gerealiseerd. Dat vraagt een andere manier van kijken én ontwerpen. “Een mooi gebouw dat het systeem schaadt, zal steeds minder als goed ontwerp worden beschouwd.”

Wat is er zo vernieuwend aan de Europese natuurherstelwet?

Luc Eeckhout: “Het is de eerste Europese verordening die natuurherstel juridisch verplicht maakt. Tot nu toe lag de nadruk vooral op het beschermen van bestaande natuur. Deze wet gaat een stap verder: elke lidstaat krijgt de verantwoordelijkheid om natuur actief te herstellen.”

“Bovendien gaat het om een Europese verordening en geen richtlijn. Dat betekent dat de principes rechtstreeks zullen doorwerken in nationale regelgeving, vergunningen en uiteindelijk ook in concrete projecten. De doelstellingen zijn ambitieus: tegen 2030 moeten herstelmaatregelen gelden voor minstens twintig procent van het Europese grondgebied en tegen 2050 moeten herstelmaatregelen voorzien zijn voor alle ecosystemen die herstel behoeven.”

Natuur kent geen perceelsgrenzen

Waarom is deze wet belangrijk voor architecten?

“Omdat ze een volledig andere manier van denken introduceert. Vandaag vertrekken we nog te vaak vanuit het perceel. We krijgen een bouwopdracht, bekijken de voorschriften en proberen daar het maximale uit te halen. Maar de natuur trekt zich niets aan van perceelsgrenzen. Elk project maakt deel uit van een groter geheel. Zodra je dat beseft, verandert ook je ontwerpaanpak. Dat zal onvermijdelijk spanningen veroorzaken, want het ‘perceeldenken’ zit diep ingebakken in onze sector.”

“Voor architecten is het belangrijk dat ook steden nu expliciet als ecosystemen worden beschouwd. Dat betekent dat we stedelijke ruimte niet langer mogen zien als een uitzondering op de natuur. Ze maakt er integraal deel van uit.”

Je verwijst vaak naar het wedding cake-model. Waarom is dit een goede manier om naar natuurherstel te kijken?

“Dat model van het Stockholm Resilience Centre vat perfect samen waarom de natuurherstelwet bestaat. De onderste laag van de taart is de biosfeer: water, bodem, klimaat en biodiversiteit. Daarop steunt de samenleving. Pas helemaal bovenaan komt de economie. Vandaag denken we nog veel te vaak omgekeerd: we vertrekken vanuit economische groei en beschouwen de natuur als iets waar we gebruik van kunnen maken wanneer het ons uitkomt. Maar eigenlijk leven we alsof de natuur een gratis bank is waar voortdurend geld uitkomt. We nemen hout, water, grondstoffen en ecosysteemdiensten alsof daar geen prijs tegenover staat. Dat klopt niet: op een bepaald moment is die rekening leeg. De natuurherstelwet zegt eigenlijk: zorg eerst dat de fundering opnieuw sterk wordt, want anders stort alles daarboven vroeg of laat in.”

Andere ontwerplogica

Wat moeten architecten vandaag al begrijpen om voorbereid te zijn op de gevolgen van de natuurherstelwet?

“Ze moeten vooral de logica van de wet begrijpen. Die steunt op drie belangrijke principes. Het eerste is het ‘verslechteringsverbod’. De wet introduceert een sterk ‘niet-verslechteringsprincipe’ voor natuurwaarden en herstelde gebieden. Ecologisch mogen waardevolle elementen dus niet verder achteruitgaan. Denk aan bestaande bomen, waterbergend vermogen, bodemkwaliteit of ecologische verbindingen. Die krijgen een veel belangrijkere plaats in de beoordeling van projecten. Het tweede is de ‘verbeteringslogica’. Het volstaat niet langer om schade te beperken. Projecten zullen steeds vaker beoordeeld worden op de vraag hoe ze kunnen bijdragen aan herstel. Ontwerpers worden dus actieve spelers in het versterken van een gebied. Tot slot moeten we steden beschouwen als volwaardige ecosystemen, met eigen ecologische kwaliteiten én verantwoordelijkheden. Zeker in Vlaanderen, waar de bebouwde ruimte steeds verder aaneengroeit, is dat een fundamentele verandering.”

Merken architecten daar vandaag al iets van in hun dossiers?

“Ja, al gebeurt het nog versnipperd. Architecten krijgen steeds vaker vragen over water, ontharding, infiltratie, boombehoud, biodiversiteit en bodemopbouw. Ook vergunningverleners kijken kritischer naar die aspecten. Je voelt dat de omslag bezig is, alleen ontbreekt vandaag nog één duidelijk kader. Dat zal veranderen wanneer Vlaanderen de Europese natuurherstelwet verder vertaalt naar eigen regelgeving.”

“Gent, Leuven, Antwerpen en Mechelen zijn steden die al verder staan dan andere. Ze investeren al jaren in ontharding, hitteadaptatie en bomenbeleid. Daar leeft het besef dat klimaat en biodiversiteit geen toekomstmuziek meer zijn. Lokale besturen voelen de gevolgen van hitte, droogte en wateroverlast vandaag al en wachten niet langer tot elke regel is uitgeschreven.”

“Tegelijk zien we ook waar het nog misloopt. Zo worden volwassen bomen nog te gemakkelijk gekapt, terwijl hun ecologische waarde nauwelijks te vervangen is. Discussies rond infrastructuurprojecten tonen soms hoe moeilijk de afweging blijft tussen ontwikkeling en behoud van volwassen bomen. De kwaliteit van een volwassen boom is zo enorm dat je 200 kleine bomen moet planten om dat een klein beetje te compenseren. Naar schaduw, ecosysteemdiensten. Daar mogen we dus niet licht overgaan. Op dat vlak verwacht ik de komende jaren wel een mentaliteitswijziging. Ontwerpen zal veel vaker vertrekken van wat er al aanwezig is. Bestaande natuur wordt geen hinderpaal meer, maar een kwaliteit waarmee je aan de slag gaat.”

Architectuur als een ecosysteem

Wat we verstaan onder 'goed ontwerpen' zal dus fundamenteel veranderen?

“Absoluut. Vandaag beoordelen we een ontwerp nog vaak als een object: een mooie gevel, een doordachte plattegrond, een goede inpassing in het straatbeeld. Dat blijft belangrijk, maar het wordt niet langer voldoende. De grote verandering is dat het gebouw niet langer het vertrekpunt vormt. Een goed ontwerp houdt rekening met het systeem waarin het terechtkomt: water, bodem, biodiversiteit en klimaat. Niet de vraag 'hoe voldoen we aan de regelgeving?' staat centraal, maar wel: 'hoe kan dit project bijdragen aan een sterker ecosysteem?' Dat zie je vandaag al bij waterbeheer. Groendaken en infiltratievoorzieningen worden vaak nog vanuit een technische reflex toegepast. De volgende stap is dat die ingrepen deel worden van één integraal ecosysteem waarin water, bodem en vegetatie samenwerken. Dat wordt de nieuwe maatstaf voor kwaliteit.”

“Die logica stopt bovendien niet aan de perceelsgrens. Ze geldt evengoed voor de publieke ruimte. Denk aan de manier waarop we vandaag nog steeds straten in zwart asfalt aanleggen. Dat materiaal warmt sterk op en versterkt het hitte-eilandeffect, terwijl er vandaag lichtere alternatieven bestaan die zonlicht beter reflecteren en minder warmte vasthouden. Ook wegenis moet worden ontworpen vanuit de vraag hoe de publieke ruimte kan bijdragen aan een koeler en gezonder ecosysteem.”

Bieke Bruggeman HR DSC 0674

“Ook wegenis moet bijdragen aan een koeler en gezonder ecosysteem”, aldus professor Luc Eeckhout in de heraangelegde Jan Dhondtstraat in Gentbrugge, waar ontharding en meer groen helpen om regenwater lokaal op te vangen, hittestress te beperken en de biodiversiteit in de stad te versterken. © Bieke Bruggeman

Welke ontwerpreflexen zullen architecten dan moeten afleren?

“Vooral de reflex om meteen het maximale bouwvolume te tekenen. Vandaag vertrekken veel ontwerpers vanuit de vraag hoeveel ze op een perceel mogen bouwen. Pas daarna zoeken ze een plaats voor groen, water of de bomen die eventueel kunnen blijven staan. Dat denken zal moeten kantelen: we moeten overstappen van ‘vormdenken’ naar ‘systeemdenken’. We zullen eerst moeten begrijpen hoe een plek werkt: waar loopt het water? Welke bodem is aanwezig? Welke natuurkwaliteiten zijn er al? Pas daarna volgt de architectuur. Misschien zullen we ook moeten aanvaarden dat niet elke vierkante meter ontwikkeld kan worden. Groen wordt geen restruimte meer, maar een fundament van het ontwerp.”

Architectuuropleiding loopt achter

Zijn architectuuropleidingen klaar voor die omslag?

“Wel, ze zijn zich bewust van de evolutie, maar lopen achter. Ecologie blijft vaak beperkt tot theoretische vakken, terwijl in de ontwerpstudio's nog dikwijls het klassieke objectdenken overheerst. Dat merk ik ook bij de studenten. Ik heb vorig academiejaar meer dan driehonderd ontwerpen beoordeeld. Steeds opnieuw zag ik hetzelfde: zodra je buiten de perceelsgrens keek, hield het project op. Er was geen straat, geen buurt, geen landschap. Alsof de wereld buiten het perceel niet bestond. Ik vind dat we architecten moeten opleiden die eerst het landschap kunnen lezen en pas daarna beginnen te ontwerpen. Dat vraagt ook een andere manier van lesgeven. Studenten zullen pas anders ontwerpen wanneer die houding ook beloond wordt in de ateliers. En dat is nu nog niet het geval, spijtig genoeg.”

Papierberg?

Sommigen vrezen dat de natuurherstelwet vooral extra administratie zal opleveren. Begrijpt u die bezorgdheid?

“Die bezorgdheid is begrijpelijk. Architecten werken vandaag al in een complexe regelgeving. Maar het probleem is niet de natuurherstelwet op zich. Alles hangt af van hoe we ze implementeren. Als ecologie een extra hoofdstuk wordt dat je achteraf nog moet afvinken, krijg je inderdaad meer administratie. Maar als ecologie het vertrekpunt van het ontwerp wordt, kan ze net leiden tot duidelijkere dossiers en minder discussies tijdens de vergunningsprocedure.”

“Persoonlijk geloof ik sterk in heldere beoordelingssystemen. Kijk bijvoorbeeld naar BREEAM. Dit systeem maakt vanaf de start duidelijk welke ambities een project nastreeft. Een gelijkaardige logica zou ook kunnen werken voor natuurinclusief ontwerpen. Ontwerpers weten dan vanaf de eerste schets welke keuzes bijdragen aan een kwalitatief project en welke niet.”

Welke boodschap wilt u architecten vandaag vooral meegeven?

“Zie de natuurherstelwet niet als een beperking, maar als een uitnodiging om het vak opnieuw uit te vinden. Architecten zijn bij uitstek mensen die complexe problemen kunnen oplossen in één ontwerp. Net daarom geloof ik dat onze discipline hier een enorme meerwaarde kan betekenen.”

“We zullen moeten leren omgaan met meer onzekerheid en discomfort. Creativiteit ontstaat vaak pas wanneer je de complexiteit even durft toe te laten en niet meteen naar een pasklare oplossing grijpt. Als we blijven ontwerpen alsof de natuur een restcategorie is, blijven we het systeem verder afbreken. Dat kunnen we ons eenvoudigweg niet meer permitteren.”

Over Luc Eeckhout

Luc Eeckhout is architect en stedenbouwkundige met expertise in klimaat- en toekomstbestendig bouwen en klimaatverandering in relatie tot architectuur en stedenbouw. Hij is medeoprichter van evr-architecten en gastdocent aan de KU Leuven. Hij adviseert steden, gemeenten en organisaties in hun transitie naar meer weerbaarheid voor de toekomst en regeneratief bouwen.

België haalt deadline niet

Tegen 1 september 2026 moesten alle lidstaten van de EU een ontwerp van hun nationale natuurherstelplan indienen bij de Europese Commissie. Daarin moeten alle maatregelen staan waarmee ze de Europese doelstellingen willen halen. België haalde die deadline niet; ook het Vlaamse luik was begin september nog niet definitief goedgekeurd.

Voor NAV wordt vooral de concrete vertaling van het plan cruciaal. Wij zijn van mening dat die niet mag leiden tot een nieuwe papierberg voor architecten en dat er rekening gehouden moet worden met de specifieke Vlaamse context. Een ondoordachte doorvertaling van het plan zou bijvoorbeeld de bouwshift kunnen tegengaan omdat verdichten in stedelijke gebieden moeilijker wordt gemaakt. We formuleerden daarom al een aantal bedenkingen bij een eerste draft van het plan en roepen politici op daar maximaal rekening mee te houden.

Ook interessant:

Katrien

Katrien Depoorter

Projectmanager pers en communicatie

Netwerk Architecten Vlaanderen