‘Waar een wil is, kan een weg weg.’ ‘Pleidooi voor het niet-bouwen.’ ‘Wie geeft zijn baksteen op?’ Het zijn slechts enkele van de artikels waarmee RE-ST zich de afgelopen vijftien jaar liet opmerken. Een kritische houding tegenover het ruimtebeslag in Vlaanderen is dan ook inherent aan de activiteiten van de Antwerpse architectenvennootschap. En ja, die aanpak leeft door tot in de realisaties. Precies om die reden mocht RE-ST begin 2025 de Jo Crepain Award in de categorie Low Impact mee naar huis nemen. Medeoprichter Dimitri Minten vertelt hoe ze hun principes bewaken en in de praktijk brengen.
RE-ST werd opgericht in 2010 door toenmalige collega’s Dimitri Minten en Tim Vekemans. Na enkele jaren als medewerker vervoegde Bob Van Abbenyen hen in 2018 als derde vennoot. Een duidelijke onmin met de staat van onze ruimte en de economische logica van de klassieke architectuurproductie vormt de lijm van het team.
Gezonde weerstand
De huidige gang van zaken, waarbij verwacht wordt dat architecten gewoon de vraag van de opdrachtgever tot uitvoering brengen, stoot jullie tegen de borst. Hoe pakken jullie projecten zelf aan?
Dimitri Minten: “We geloven dat de rol van de architect niet zozeer is om te bouwen, maar wel om ruimtelijke invulling te geven aan bepaalde behoeftes. Daarom vangen we elke vraag of opdracht aan met een gezonde weerstand. Wat is de werkelijke behoefte van de bouwheer? Is die behoefte gegrond? Strookt ze wel met de plek die de opdrachtgever voor ogen heeft? Is het echt nodig om daarvoor ettelijke vierkante meters bij te bouwen, of kunnen we de behoeftes op een andere manier vormgeven? Liggen er nog mogelijkheden in het bestaande patrimonium? Met dat soort vragen bouwen we een hele reeks drempels in. In de meeste gevallen leidt dat tot andere oplossingen dan de bouwheer initieel voor ogen had.”
“Een recent voorbeeld is de uitbreiding van het Designmuseum in Gent. In de wedstrijdvraag werd aangegeven dat er, met het oog op de benodigde extra oppervlakte, tot -3 en +6 gebouwd mocht worden. In het centrum van Gent vonden we dat echter niet gepast, waarop we besloten om het aantal niveaus zoveel mogelijk te beperken. De oppervlakte die we daardoor tekortkwamen, vonden we in de bestaande vleugels. Door die op een andere manier in te richten, konden we zo’n 1.000 m² vrijwaren. Dat zat oorspronkelijk niet in de opdracht, maar leidde er uiteindelijk wel toe dat er 1.000 m² minder gebouwd moest worden én dat het bestaande patrimonium geoptimaliseerd werd. Zo maken we continu andere keuzes.”
Niet-bouwen betekent dus niet noodzakelijk niet bouwen. Waar trekken jullie de grens?
Dimitri Minten: “In ons onderzoek ‘De winst van het niet-bouwen’ identificeerden we tien tactieken van het niet-bouwen. Dat zijn de tactieken die we in onze praktijk heel concreet proberen uit te voeren: van optimaal ruimtegebruik tot meervoudig ruimtegebruik, het splitsen of samenvoegen van bebouwing, renovatie, herbestemming, enzovoort. Sloop en vervangingsbouw maken daar in principe geen deel van uit, maar het is wel de eerste tactiek na het niet-bouwen. Je kan nu eenmaal niet elk gebouw tot in de eeuwigheid bewaren. Maar we willen wel elk gebouw de eerlijke afweging geven.”
“Een strikte grens tussen wat we wel en niet doen, is er in ieder geval niet. In de regel gaan we geen nieuwe volumes bouwen op greenfields, maar momenteel bekijken we bijvoorbeeld wel hoe we op een bepaald boomrijk perceel in een dorpskern een tijdelijke en natuurinclusieve constructie kunnen maken. Dat soort vragen triggert ons ook. Het gaat er vooral om dat we niet zomaar vierkante meters willen bijbouwen wanneer dat niet nodig is. Als we bouwen, willen we dat goed beargumenteren.”
Door de bestaande vleugels van het Designmuseum anders in te richten, moest er uiteindelijk 1.000 m² minder bijgebouwd worden.
De juiste opdrachtgevers
Hoe bepalen jullie dan welke opdrachten jullie wel of niet aannemen?
Dimitri Minten: “De klik met de opdrachtgever is van groot belang. Die moet een meerwaarde zien in onze reflecties op de opdracht. Dat begint met een duidelijke communicatie. Toen we een projectontwikkelaar een aantal jaar geleden tijdens een eerste gesprek vroegen wat hij dacht dat wij als architect konden bijbrengen, was het antwoord heel kort: hij had ons nodig voor de vergunningsaanvraag en het uitwerken van de gevel. Het spreekt vanzelf dat dat geen basis kan zijn voor een wervende samenwerking. Als je van meet af aan duidelijk over je verwachtingen communiceert, voel je snel of je iets voor elkaar kan betekenen of niet.”
“We proberen onze visie ook heel uitdrukkelijk naar buiten te brengen, bijvoorbeeld door artikels en vlugschriften te schrijven. Op die manier weten potentiële opdrachtgevers al op voorhand hoe we als architecten denken en komen we meer en meer in contact met opdrachtgevers die ons gedachtegoed genegen zijn. Zo koos bijvoorbeeld het GO! voor een optimalisatiestudie van het Ensorinstituut in Oostende heel bewust voor onze aanpak en visie. Zelf voelden ze immers al aan dat deze scholensite met een bepaalde overmaat kampte en dat er potentieel ruimte was voor een vierde school, zonder dat daarvoor bijgebouwd moest worden. Onze studie bevestigde dat: door de bestaande ruimte te herontwerpen, werd zo’n 4.000 m² ‘gevonden’. Niet alleen kon daardoor een extra school in het bestaande gebouw ondergebracht worden, maar ook de bestaande scholen wonnen aan ruimtelijke efficiëntie.”
“Toch is het ook al eens gebeurd dat we halverwege een project merken dat de visies niet meer met elkaar stroken en dat de bouwheer bijvoorbeeld toch meer of hoger wil bouwen dan wij aanvaardbaar achten. In zo’n geval durven we, weliswaar in onderling overleg, een project stop te zetten. Doorgaan zou enkel maar onnodig veel tijd en energie kosten. Ook de opdrachtgever is daar niet bij gebaat. ”
Welke rol spelen architectuurwedstrijden in jullie praktijk?
Dimitri Minten: “We doen jaarlijks aan een aantal wedstrijden mee, maar proberen daar niet in te overdrijven. Het voordeel van een architectuurwedstrijd is dat je meteen je visie duidelijk kan maken. Wanneer je geselecteerd wordt, dan weet je dus dat de opdrachtgever openstaat voor je aanpak. Alleen gebeurt het omgekeerde ook. Zo zijn we wel al eens gediskwalificeerd omdat we in plaats van het gevraagde nieuwbouwvolume een voorstel voor herbestemming van een nabijgelegen kerk hadden ingediend. Als dat te veel gebeurt, dan is het een streep door je businessmodel. Maar dat geldt voor elke architect die aan wedstrijden meedoet. Je moet heel gericht selecteren.”
Alternatieve dienstverlening
Traditioneel worden architecten verloond in functie van wat er gebouwd wordt. Valt een praktijk van niet-bouwen dan wel met een rendabel architectenbureau te verenigen?
Dimitri Minten: “Absoluut. Het perverse aan de huidige erelonen is inderdaad dat we meer betaald worden als we meer bouwen, maar dat betekent niet dat het niet-bouwen per definitie tot een verlies van inkomsten leidt. Zo is niet-bouwen niet noodzakelijk goedkoper dan wel bouwen. Het budget voor het Designmuseum is bijvoorbeeld exact hetzelfde gebleven, ons ereloon bijgevolg ook. Hier en daar geven opdrachtgevers bovendien al een bonus voor architecten die erin slagen om minder te bouwen.”
“Daarnaast ligt er in het niet-bouwen nog een veelheid aan opdrachten waarmee je je brood kan verdienen. Restauratie- of herbestemmingsopgaves, haalbaarheidsstudies, … dat zijn allemaal betaalde opdrachten. Ook wanneer we een opdrachtgever ervan overtuigen om helemaal niets te bouwen, worden we betaald voor de studie. Zo hebben we inmiddels een heel portfolio van alternatieve dienstverleningen uitgebouwd. Sommigen zullen zich afvragen of al die zaken wel door een architect moeten gebeuren – een gebruiksscan zoals bij het GO! Ensorinstituut lijkt op het eerste zicht bijvoorbeeld heel pragmatisch en datagedreven – maar uiteindelijk zijn het wel allemaal ruimtelijke vraagstukken. Door inzicht te krijgen in het gebruik van het gebouw kunnen we vaak de juiste ontwerpvraag stellen. Uiteindelijk is het door het beroep in vraag te stellen, dat er zich nieuwe opportuniteiten aandienen.”
“We beschouwen elke opdracht in zekere zin ook als een onderzoek, waarbij we op zoek gaan naar het generieke vraagstuk dat eronder ligt. Door dat te proberen aanboren, creëren we nieuwe opdrachten. De studie voor het Ensorinstituut leidde bijvoorbeeld tot een bredere methodiek voor andere schoolgebouwen en vervolgopdrachten voor het GO!. Vanuit het artikel ‘Waar een wil is, kan een weg weg’ groeide een studie voor de Vlaamse overheid, een methodiek voor de ontharding van gemeentewegen en uiteindelijk de vzw Breekijzer. Een eerste project rond de herbestemming van kerken gaf aanleiding tot meer dan veertig haalbaarheidsstudies. Dat is echt een sneeuwbaleffect.”
“Door het beroep in vraag te stellen, dienen er zich nieuwe opportuniteiten aan”
Sinds begin dit jaar werken jullie niet langer met freelance architecten, maar werken al jullie medewerkers in loondienst. Legt dat een extra druk?
Dimitri Minten: “Het was tijd om die stap te zetten, maar het heeft inderdaad gevolgen voor de onderneming. De loonlast en het sociaal passief gaan omhoog. Voor ons is dat een extra incentive om nog kritischer te zijn en vast te houden aan zowel onze principes als onze prijzen. Het team mag niet de dupe zijn van het feit dat bepaalde opdrachtgevers te weinig willen betalen. Dat is een verantwoordelijkheid die wij als ondernemer hebben.”
Reflectie
Jullie lijken het allemaal voor elkaar te hebben en stevig in jullie schoenen te staan. Hoe komt dat, denk je? Welke tips kan je aan andere architecten meegeven?
Dimitri Minten: “We spenderen heel wat tijd aan onderzoek. In 1968 adviseerde Geert Bekaert ons in zijn tekst ‘Waarom nog architecten?’ al om het architectenberoep te professionaliseren en een wetenschappelijke basis te geven. Toen we RE-ST oprichtten, hebben we onszelf dan ook voorgenomen om 10% van onze tijd door te brengen in de spreekwoordelijke speeltuin. Dat zijn uren die we niet spenderen aan betaalde opdrachten, maar vrijhouden voor onderzoek, om onszelf kritisch te bevragen, artikels te schrijven, enzovoort. Op die manier verplichten we onszelf om te blijven reflecteren over wat we elke dag aan het doen zijn, vermijden we dat we in een soort bandwerk terechtkomen en zijn we veel beter in staat om opdrachtgevers te overtuigen om mee te stappen in dat verhaal. Bovendien leidt het tot extra efficiëntie. Uiteindelijk verliezen we heel weinig tijd met nodeloze lijnen te trekken.”