In maart 2019 opende The Vessel in het hart van het vastgoedproject Hudson Yards in New York. Het 200 miljoen dollar kostende kunstwerk was volgens ontwerper Thomas Heatherwick geïnspireerd op Indiase stepwells – het publiek zag er vooral een gigantische koperen prullenmand in. Het is het soort landmark waar Heatherwick een patent op lijkt te hebben: meer design dan architectuur, meer beeld dan inhoud. Met zijn campagne Humanise breidde hij zijn strijd tegen saaiheid uit tot een wereldwijde missie – een tien jaar durende kruistocht “to confront the public health issues caused by boring buildings and inspire the public to demand better.”
Oorverdovend lawaai
Een Australische architect met wie ik recent enkele dagen architectuur in de buurt van Gent bezocht, verzuchtte dat hij liever naar een saai gebouw kijkt. “Opvallende gebouwen eisen dat ik er een mening over vorm – erg vermoeiend.”
Karel Debaere, architect en stedenbouwkundige, schreef eind jaren negentig over de ontwerpers van een nieuwe ziekenhuisvleugel in Kortrijk: “In plaats van zich bescheiden op te stellen tegenover de natuurlijke kracht van de Leie, schreeuwen zij met hun architectuur om aandacht, willen ze alle blikken naar zich toe trekken. Als ieder gebouw in de stad luidkeels gaat roepen, dan ontstaat er een oorverdovend lawaai.”
The Vessel kreeg niet alleen door zijn blinkende voorkomen een bedenkelijke reputatie. Na vier incidenten waarbij bezoekers van de trapconstructie sprongen, werd het complex in 2021 voor onbepaalde tijd gesloten. Architectuurjournalist Matt Shaw schreef toen in een artikel op Dezeen hoe “het falen van The Vessel terug te voeren was op het ontbreken van een openbaar proces. Het werd gebouwd op privéterrein en werd nooit onderworpen aan enige ontwerpevaluatie, en profiteerde er dus ook niet van. Eén enkele opdrachtgever en één enkele ontwerper. Deze enorme, gênante mislukking had gemakkelijk voorkomen kunnen worden met zelfs maar een spatje feedback van de gemeenschap.”
Tristesse in glas
Eén enkele opdrachtgever en één enkele ontwerper? De quote lijkt wel te gaan over de Antwerpse Boerentoren. Volledig hun gang kunnen de heren Huts en Libeskind met de Boerentoren niet gaan, getuige het recent bijgestuurde ontwerp. Het concept van de Amerikaanse sterarchitect is echter van zo’n tristesse dat we, zelfs na de inmenging van andere architecten, ingenieurs én de overheid, zullen blijven zitten met een draak. Een gemiste kans – te beginnen bij de keuze voor Libeskind zelf, onbegrijpelijk in een regio met zoveel talentvolle architecten. Blijkbaar valt architectuur buiten de Vlaamse cultuur waarvan Huts zich graag als vaandeldrager opstelt.
Begijnhof van Hasselt © Arnaud Tandt
A Space Odyssey
In het begijnhof van Hasselt planden Bovenbouw Architectuur en David Kohn Architects eveneens een toren – een nieuw ijkpunt in het historische weefsel. Met hun panoramatoren wilden ze de verdwenen hoogte van de Begijnhofkerk opnieuw voelbaar maken. Die kerk was ooit een van de hoogste van de Hasseltse binnenstad, tot in 1944 een geallieerde vliegtuigbom op een hoek van het gebouw insloeg.
De toren staat in een hoek van het binnengebied, en vormt de culminatie van de opwaartse lijnen van de ruïne. Met de gerestaureerde witte cementlaag boven op de muren – een beschermlaag uit de jaren vijftig – lijkt het alsof er permanent een dunne sneeuwlaag over het oude metselwerk is neergedaald, als een tafereel van Caspar David Friedrich.
Het programma – het onderbrengen van de masterstudenten Architectuur van de UHasselt – werd volledig binnen de bestaande begijnhofhuisjes gerealiseerd; enkel de belvedère is nieuw. De panoramatoren, met zijn zeshoekig grondplan, ronde openingen en uitgesproken detaillering, verwijst eerder naar (proto-)postmoderne werken – van Louis Kahn tot Mario Botta – maar de gekozen baksteen sluit zó naadloos aan bij die van de site dat bezoekers zich hardop afvragen of de toren niet al eeuwenlang deel van de site is.
De nieuwe toren verankert zich moeiteloos tussen verleden en toekomst – of, zoals Dirk Somers het treffend formuleerde: “Het is alsof de toren in het begijnhof is neergedaald, zoals de monoliet uit 2001: A Space Odyssey, en tegelijk lijkt het alsof hij er altijd heeft gestaan.”
Arnaud Tandt
Ir.-architect en columnist