‘De waterlelie’ van Frederik van Eeden is een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse literatuur. Waarschijnlijk heeft iedereen het ooit besproken of voorgedragen in het middelbaar.
De Waterlelie
Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.
Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...
Wanneer ik het gedicht reciteer, blijf ik altijd even hangen bij het woord ‘donker-koelen’. In de oorspronkelijke versie uit 1898 schreef Van Eeden een ‘n’ achteraan het woord. De klanken van ‘donker-koelen’, gevormd achterin de mond, roepen als het ware de betekenis zelf op. Het evoceert de zintuiglijke ervaring van je in het water laten glijden, doorheen de door de zon opgewarmde lagen. De koelte van de dieperliggende waterlaag dringt verfrissend je ledematen binnen. Donker-koelen deed me als kind denken aan het lommerrijke tuinpad naar de buren, waar onder hoge bomen in de lente meiklokjes oprezen en in de zomer de koelte bleef hangen, terwijl de loden zon ons gazon verschroeide.
Koele kracht
Vandaag nemen we vaak ‘thermische traagheid’ of ‘thermische inertie’ in de mond, om het te hebben over het vermogen van zware materialen, zoals natuursteen, baksteen en beton, om warmte op te slaan en vertraagd af te geven – een essentiële eigenschap voor een leefbaar binnenklimaat in tijden van klimaatopwarming. De betekenis reikt verder dan de berekening van de binnentemperatuur. De poëtische kracht van koelte is niet te onderschatten.
Enkele van mijn sterkste architecturale ervaringen hangen samen met het contrast tussen de warmte buiten en de koelte binnen, zoals de Romaanse kerken die we als kind binnendoken tijdens “de verschrikking van het middaguur” – zoals Ton Lemaire schrijft in ‘Filosofie van het landschap’.
Koelte als ervaring
Ook later werd ik soms tegelijkertijd door de koelte én de architectuur overvallen. Op een reis door Portugal, zo’n twintig jaar geleden, doorkruisten we de steden Lissabon, Coimbra en Porto, op zoek naar de architectuur van Álvaro Siza, Eduardo Souto de Moura en Aires Mateus. De sterkste ervaring was misschien het moment waarop we op een hete dag in Coimbra onvermoed de oude kathedraal binnenwandelden. De Sé Velha is versterkt als een burcht, met dikke, gesloten muren die ooit belagers, maar nu vooral de hitte buitenhouden. Onze schuilplaats tegen de zon gaf in het halfduister haar geheimen prijs. Toen we ons op diezelfde trip tegen de koude muren van de kloostergang in het Mosteiro dos Jerónimos vleiden, schitterde de manuelstijl des te meer.
Ruimte die vertraagt
Ik vertel vaak over mijn eerste bezoek aan het Teshima Art Museum – de enige architectuur die me ooit bijna tot tranen toe bewoog. Tijdens de bloedhete zomer van 2012 reisde ik voor het eerst naar Japan. Door een vluchtige blik in ‘Insular Insight’ over de kunsteneilanden in de Seto Inland Sea, besloot ik niet alleen naar Naoshima te reizen voor de musea van Tadao Ando, maar ook het nabijgelegen Teshima mee te nemen op mijn reis. Het Teshima Art Museum, ontworpen door Ryue Nishizawa, ligt als een druppel op het landschap en huisvest één enkel kunstwerk, ‘Matrix’ van Rei Naito. De dunne betonnen schaal – nauwelijks 20 centimeter dik – overspant een vrije ruimte van 40 bij 60 meter. Twee ovale openingen in het dak laten licht, lucht en geluid binnen, waardoor de grens tussen binnen en buiten vervaagt.
Bij het binnengaan zag ik mensen neergevleid op de betonnen vloer. Daarna viel mijn oog op wat in het boek glazen sculpturen leken. En toen gebeurde het magische: het glas bewoog – het bleek water te zijn. Ik zeeg neer en keek gebiologeerd naar het water dat uit kleine openingen opborrelde, plasjes vormde en plots weer afliep. Het geluid van de omgeving zweefde de ruimte binnen. De koelte van de betonnen vloer drong in me door. De tijd vertraagde, de waarneming verscherpte.
Arnaud Tandt
Ir.-architect en columnist