Wie vandaag als architect renovatieplannen maakt, werkt met een tijdshorizon van minstens twee tot drie jaar. Dat is de realiteit van de bouwpraktijk: tussen ontwerp, vergunning en uitvoering ligt een halve legislatuur. Toch lijkt het Vlaamse renovatiebeleid zich daarvan weinig aan te trekken. Met elke nieuwe beleidsnota verandert de koers, met bijgestelde premies, gewijzigde inkomensgrenzen of kortstondige overgangsmaatregelen. De sector moet laveren in een beleid dat steeds flipflopt.
Van verbeteringspremie tot verbouwchaos
De Vlaamse steun voor woningrenovatie kent een lange voorgeschiedenis. In 1992 ontstond de verbeteringspremie, in 2007 kwam de renovatiepremie, en sinds 2022 spreken we van Mijn VerbouwPremie. Inhoudelijk verschoof het accent telkens: van algemene kwaliteitsverbetering naar energiezuinigheid, van eenvoudige voorwaarden naar gedifferentieerde categorieën met inkomensgrenzen en m²-beperkingen. Tegelijk verdwenen de mogelijkheden om verschillende premies te combineren – van gemeenten, netbeheerders of andere instanties – waardoor het totaal aan steun kleiner werd.
Daarmee is op zich niets mis, als dat beleid minstens coherent en voorspelbaar zou zijn. Maar dat is het niet. De regels worden om de haverklap herzien. In september nog kondigde minister Depraetere aan dat hogere inkomenscategorieën geen recht meer zouden hebben op de Mijn VerbouwPremie, om later dan toch, zij het in beperkte mate, opnieuw in aanmerking te komen. Begin dit jaar werd begeleiding van verbouwers nog naar voren geschoven als een prioriteit, maar al snel bleek het daarvoor voorziene budget ontoereikend. Zelfs de communicatie van de Vlaamse regering biedt weinig houvast: waar men de indruk wekt enkel ‘de rijken’ te raken, blijkt in werkelijkheid ook een groot deel van de middenklasse getroffen door de besparingen. Het gevolg is niet alleen onrust bij burgers, maar ook groeiend wantrouwen binnen een sector die nochtans essentieel is voor het behalen van de klimaatdoelstellingen.
Renovatie vergt standvastigheid, geen improvisatie
De Vlaamse overheid wil dat gebouwen tegen 2050 klimaatneutraal worden verwarmd en gekoeld. Dat is een nobel en noodzakelijk doel. Maar wie de route voortdurend wijzigt, haalt nooit de bestemming. Een duurzaam gebouw vraagt een gefaseerde aanpak: eerst isoleren, dan pas overschakelen op verwarmen op lage temperatuur met een warmtepomp. Doen we het met zijn allen fout, dan gaat het licht uit. Letterlijk. Toch blijven de premies en communicatie vooral focussen op individuele technologieën, terwijl het integrale renovatieverhaal achterop hinkt.
Architecten weten hoe moeilijk het al is om klanten te overtuigen dat een nieuwe keuken of badkamer beter nog even wacht tot de schil is aangepakt. Als de overheid tegelijk het geweer telkens van schouder verandert, wordt dat bijna onmogelijk. Opdrachtgevers verliezen vertrouwen, stellen investeringen uit of kiezen voor halfslachtige ingrepen. En zo halen we de klimaatdoelen niet. Niet door gebrek aan wil, maar aan duidelijkheid.
Wat Vlaanderen nodig heeft, is een beleid dat minstens één generatie meegaat. Een systeem waarin architecten en eigenaars kunnen rekenen op stabiele premiekaders, voorspelbare procedures en consequente doelstellingen. Waar elke woning een renovatiemasterplan krijgt, overdraagbaar bij verkoop, zodat nieuwe eigenaars duidelijk weten welke werken nog op de planning staan en welk kostenplaatje daarmee gepaard gaat. Dat zorgt voor meer realiteitszin tijdens de prijsonderhandelingen. En waar investeringen in renovatiebegeleiding – die volgens onderzoek tot 17 (!) keer hun waarde opleveren – niet worden gezien als kosten, maar als hefboom.
Kortom: als Vlaanderen het echt meent met klimaatneutraliteit, dan moet het kiezen voor standvastigheid.