Beschaduwd
Enkele maanden geleden bevond ik me in de leefruimte van de architectenwoning van Marie-José Van Hee. Het is een van de meest iconische plekken uit de Vlaamse architectuur. De dubbelhoge kamer met de trap die knipoogt naar Barragán. Hoge ramen boven de kastenwand aan de straatzijde, lage ramen naar de hortus conclusus. Een lange tafel onder enkele peertjes.
Sam De Vocht, jarenlang medewerker van het bureau en gids van dienst, vertelde dat de vloer en het plafond geïsoleerd zijn, maar de muren niet. Ook in de stalen ramen zit enkel glas. De ramen aan de binnentuin kunnen volledig openzwaaien, zodat alleen de pure structuur overblijft, als in een ruïneuze toestand. Het licht dat door de ramen valt is ongefilterd, zodat Marie-José Van Hee aan de lange tafel in het meest natuurlijke licht kon schetsen.
Enkele weken later bezocht ik met een select gezelschap Villa Van den Schrieck, ontworpen door Jacques Dupuis en Albert Bontridder. Wouter Callebaut, die met Callebaut Architecten de villa recent restaureerde, leidde ons rond. In het bureau van de vrouw des huizes viel mijn oog op de lichte wemeling in het vensterglas. Dupuis, vertelde Callebaut, wilde het glas zo onzichtbaar mogelijk maken en schreef daarom “niet-spiegelend glas” voor – licht getrokken glas dus. Rond de raamopeningen ontwierp hij bovendien diepe kaders, binnen én buiten, zodat het glasvlak vrijwel altijd in de schaduw ligt en verdwijnt. Bij de restauratie werd opnieuw glas met een wemeling gebruikt, zoals ook monumentenzorg vaak voorschrijft.
Bespiegeling
Over de helderheid van glas herinner ik me de anekdote van Firmin Mees over de piramide van het Louvre. I.M. Pei wilde bijna volledig transparant glas, zodat de historische gevels van het Louvre zichtbaar bleven. Normaal floatglas heeft vaak een lichte groenblauwe tint als gevolg van sporen van het ijzeroxide dat van nature in het zand aanwezig is. Voor het Louvre werd een speciaal glas ontwikkeld met een laag ijzergehalte, waardoor het helderder is dan standaardglas, ondanks een grotere dikte van 2 cm. Mees haalde het bijzondere gewicht aan om uit te leggen dat de piramide op een plaat in voorgespannen beton moest rusten, waarbij het opwaartse tegenpeil van de plaat tijdelijk in bedwang werd gehouden door stalen kabels zolang het volle gewicht er nog niet op rustte. En, zo grinnikte Mees, als de kabel was geknakt tijdens de constructie, dan had de piramide aan de overzijde van de Seine gelegen. Tot op heden de beste – en enige – grap over voorgespannen beton die ik ken.
De piramide is dan misschien wel doorzichtig, maar zeker niet onzichtbaar. De reflecties in het glas en de constructie van staal en aluminium maken haar net erg aanwezig. Toch leeft bij het grote publiek – en ook bij sommige architecten – nog vaak het idee dat glas per definitie “verdwijnt”. Vanuit die logica wordt glas ook vaak ingezet bij toevoegingen aan historische gebouwen, precies omdat zulke ingrepen volgens het Venetiëcharter herkenbaar moeten blijven als interventies van hun tijd. Een liftkoker in glas lijkt dan een vanzelfsprekende oplossing: hedendaags, licht en ogenschijnlijk discreet. Maar glas trekt net aandacht door reflectie, detaillering en structuur. Wie de beweging van de lift zichtbaar wil maken, kiest terecht voor glas. Wie een liftkoker werkelijk wil laten opgaan in de gebouwde context, bereikt dat in veel gevallen beter met een minerale bekleding, zoals baksteen of zelfs beton. Ook glazen balustrades worden wat mij betreft te vaak toegepast vanuit het idee dat ze zouden verdwijnen – om nog maar te zwijgen van de weinig prettige ervaring om je handen op de bovenrand van het glas te laten rusten.
Barrière
Het is opmerkelijk dat, wanneer we naar de evolutie van het venster kijken, het hoogtepunt van de transparantie wellicht alweer achter ons ligt. Het oudste vensterglas – uit de Romeinse tijd – was klein, dik en troebel. Door onzuiverheden, luchtbellen en een ongelijk oppervlak liet het wel licht binnen, maar nauwelijks een helder beeld naar buiten toe. In de middeleeuwen bleef glas relatief ondoorzichtig: kroon- en cilinderglas vertoonden vervormingen, golvingen en een groenige tint door ijzer in het zand. Vanaf de negentiende eeuw verbeterde de industriële productie de helderheid aanzienlijk. Geslepen spiegelglas maakte grotere en vlakkere ruiten mogelijk, maar de echte doorbraak kwam in de jaren 1950 met het floatglasprocedé van Pilkington. Daarbij drijft gesmolten glas op een bad van vloeibaar tin, waardoor perfect vlakke en relatief heldere platen ontstaan. Glaverbel zorgde vanaf de jaren zestig voor de verspreiding van dit door de Britten ontwikkelde systeem op het Europese vasteland.
Maar het enkelglas met de occasionele wemeling bij de modernisten was waarschijnlijk het dichtst dat we ooit kwamen bij een minimale barrière tussen binnen en buiten. Naarmate we glas steeds meer eisen zijn gaan opleggen – isolerend, zonwerend, akoestisch performant, inbraakveilig – werd het dikker, gelaagder en technischer. Het glas van vandaag is dubbel of driedubbel, gehard, gelaagd en voorzien van coatings en folies. Wat “transparant” wordt voorgesteld is een filter voor het daglicht en een meerlagige spiegel voor de omgeving.
Beschermd
In de ommuurde tuin van de woning van Marie-José Van Hee keek ik samen met Sam De Vocht terug naar het huis. Hij was verheugd. De officiële bescherming was net goedgekeurd. De woning kon haar enkelglas behouden.
Arnaud Tandt
Ir.-architect en columnist