Architect in de praktijk

De impact van akoestiek in appartementsgebouwen

Prof.dr.ir. Marcelo Blasco • 7 september 2018

Het bouwen van appartementen is bijzonder complex. Als we denken aan de wetgeving die elk jaar strenger wordt (in het bijzonder voor energie), de verschillende bouwactoren tijdens het proces en de normen die moeten gehanteerd worden voor de verschillende disciplines (structuur, brand, akoestiek, thermiek, ventilatie, toegankelijkheid, veiligheid,...) dan is het niet moeilijk te vatten dat er wel wat kan misgaan. Tegenwoordig ondersteunt een hele groep specialisten de architect bij het ontwerpen van een appartementsgebouw. De vertaalslag naar een concrete realisatie noodzaakt dan ook een continue controle en een flexibel inspelen van de verschillende actoren om het project tot een volwaardig succes te laten groeien.
In dit artikel zullen we ons meer focussen op het gedeelte akoestiek: welke eisen moeten we volgen, wanneer in het proces moeten akoestische oplossingen geïmplementeerd worden, welke concrete acties moeten hierbij ondernomen worden, wat zijn de valkuilen en hoe kunnen we een correcte akoestische implementatie controleren. Een veel voorkomende vraag blijft: “Hoe verhoudt de akoestiek zich tot de andere disciplines ?”. Met andere woorden, welke concrete maatregelen houden rekening met een geïntegreerde oplossing. In het vervolg zullen we ook hierop trachten te antwoorden.

De akoestische normalisatie voor appartementen: het fundament van het bouwgebeuren

 

De akoestische normen zijn “recentelijk” vernieuwd geweest. Voor woningbouw was dat in 2008 en voor schoolbouw in 2012. De normen die betrekking hebben op kantoorbouw zijn nog niet geactualiseerd (hierbij moeten we ons nog beroepen op de oude norm NBN S01-400 van 1977), doch we vermoeden dat een nieuwe norm in 2019 wel van kracht zal zijn. Die vernieuwing van de akoestische normen was een gevolg om de akoestische vereisten beter aan te passen aan de huidige geluidsbelasting en huidige wensen rond akoestische kwaliteit. Verder was er ook een noodzaak om te werken met Europees geharmoniseerde grootheden. Dit betekent niet noodzakelijk dat de nieuwe norm strenger is dan de oude norm. Dit komt omdat de nieuwe norm andere grootheden hanteert dan de oude norm en dit heeft gevolgen op meerdere vlakken. Voor niet-ingewijdenen is het niet zo evident om dit te begrijpen, gezien de nieuwe norm toch blijkbaar “hogere cijfers” voorlegt dan de oude norm ? Dit lijkt effectief zo, doch een cijferwaarde in dB (decibel) uitgedrukt heeft geen absolute waarde, omdat “dB” een representatie is van een (logaritmische) verhouding, niet een absolute herleidbare grootte zoals “meter”, “kilogram” of “seconde”. Vanuit dat perspectief is het dus mogelijk dat 50 dB groter is dan 60 dB ! Met andere woorden men mag in de akoestiek nooit getalwaarden in dB zomaar met elkaar vergelijken. De enige manier om prestaties te vergelijken is door steeds de grootheid erbij te betrekken. Dan pas weet men waarover men spreekt. Zo heeft men bijvoorbeeld: DnT,w = 50 dB is beter dan DnT,w = 45 dB. Doch Rw = 50 dB representeert een betere waarde dan Dn,e,w = 60 dB voor een ventilatierooster in een raam bijvoorbeeld. Hierbij worden veel fouten gemaakt in de bouwwereld. Met de huidige communicatiesystemen is een boodschap verzenden een gemakkelijke klus, doch gebeurt meestal te snel zonder nadenken. Bouwactoren schenden hierbij vaak de regels door gewoon getalwaarden te communiceren met alle gevolgen vandien (verschillende/foute interpretaties). Ook via de “sneldienst” communicatie moeten dus steeds de grootheden doorgegeven worden.

 

In het kader van dit artikel focussen we ons enkel op woningbouw (appartementen). De norm die hier van toepassing is, is de NBN S01-400-1 (2008). Architecten en aannemers stellen zich steeds de vraag of de toepassing ervan verplicht is, gezien het louter een “norm” is en geen wet. Hierop kunnen we stellen dat desondanks deze norm steeds moet toegepast worden voor de woningbouw. Met andere woorden ze vormt de basis voor een akoestische beoordeling van het gebouw. Hiervoor verwijzen we enerzijds naar het KB van 1980 waarin vermeld wordt dat het bouwen in België moet uitgevoerd worden volgens de “regels van het goed vakmanschap”; anderzijds zijn de (Belgische) bekrachtigde normen wettelijk “het libretto” voor het bouwen volgens de regels van het goed vakmanschap (cfr. Wet van 03/04/2003 – Hfdst II – Art. 3). Onrechtstreeks is dus de (meest recente bekrachtigde) norm wettelijk verplicht. Tijdens een rechtspraak zal daarom ook een rechter steeds teruggrijpen naar die (akoestische) norm.

 

De vraag die zich stelt is dan welke versie van de norm? Hiervoor is de indieningsdatum van de bouwaanvraag van belang. De norm die op dat moment actueel is, is de norm die gevolgd moet worden. Praktisch: elke bouwaanvraag ingediend voor 2008 zal zich beroepen op de oude norm NBN S01-400 (1977) en elke bouwaanvraag ingediend na 2008 zal zich moeten beroepen op de geactualiseerde norm NBN S01-400-1 (2008). Er bestaat wat discussie over de maand waarin de ene of de andere norm rechtsgeldig is. Dit is het gevolg van het feit dat er een publicatiedatum is bij de NBN (Bureau voor Normalisatie – “Norme Belge – Belgische Norm”) en dat er daarna nog een publicatie is in het Belgische Staatsblad. Welke moet dan in rekening gebracht worden ? In dit geval werd de NBN S01-400-1 gepubliceerd op 1 Januari 2008 bij het NBN en uitgevaardigd als een KB van 29 April 2008 en gepubliceerd op 19 Mei 2008 in het Staatsblad als bewijs van bekrachtiging van die Belgische norm uitgewerkt door het NBN. Dus bouwaanvragen tussen 1 Januari 2008 en 19 Mei 2008 bevinden zich in een grijze zone. In de meeste expertises wordt vanaf 1 Januari 2008 wel de nieuwe norm gehanteerd (zo vermeldt de nieuwe norm NBN S01-400-1 (2008) dat deze van toepassing is voor bouwaanvragen ingediend na de publicatiedatum van die norm zelf, zijnde 1 Januari 2008).

 

De akoestische norm is van toepassing voor nieuwbouw appartementen (geheel of gedeeltelijk voor bewoning bestemd) en voor verbouwingen met aanvraag. Dit laatste betekent een verbouwing waarin men een aanvraag moet indienen bij de gemeente. Wanneer dit het geval is kan men nakijken op www.vlaanderen.be (bouwen en verbouwen). Er moet wel op geduid worden dat na voltooiing van het werk er (nog) geen verplichte akoestische controle bestaat. Met andere woorden een test in situ is achteraf niet verplicht. De bouwheer kan dit natuurlijk altijd eisen of laten uitvoeren als een controle (bijvoorbeeld in een lastenboek), maar meestal grijpt dit enkel plaats wanneer de bewoner(s) na de werken één of andere lawaaihinder ondervinden; meestal heeft men te maken met “voor de werken was er nooit een probleem en nu hoor ik mijn bovenbuur stappen...”. Bij expertises vormt het uitvoeren van een akoestische meetcampagne de basis voor het verdere vervolg. Geluid en lawaaihinder is een subjectief gegeven, doch deze kan perfect objectief gemeten worden. Het is dan de taak om de meetresultaten met de eisen in de norm te vergelijken. Ruimte voor interpretatie is er dan niet want de meting hanteert dezelfde grootheid als de eis, dus ofwel voldoet het meetresultaat, ofwel voldoet het niet. Veelal kan men te maken hebben met bewoners die (subjectief) lawaaihinder ondervinden zelfs als de meetresultaten voldoen. De eisen in de norm zijn in die zin onderverdeeld in twee groepen qua akoestische kwaliteit: eisen die een “normaal comfort” garanderen en eisen die een “verhoogd comfort” garanderen. De vereisten in verband met een “normaal akoestisch comfort” zijn erop gericht om tevredenheid bij een ruime meerderheid, geraamd op 70% van de gebruikers te verzekeren. Deze eisen worden als economisch verantwoord aanzien. De vereisten betreffende een “verhoogd akoestisch comfort“ zijn van toepassing wanneer de initiatiefnemers van het bouwproject (opdrachtgever, koper, …) speciale verlangens in die zin uiten of wanneer aan de toekomstige bewoners deze eigenschap toegezegd wordt door verkoper of verhuurder. Wanneer aan deze eisen voldaan is, wordt het percentage tevreden bewoners op meer dan 90% geraamd bij een normale lucht- en contactgeluidbelasting. Er wordt gesteld dat mits grondig overleg en toezicht de meerkost beperkt kan blijven. Als er qua akoestiek niets vermeld staat (in het lastenboek of verkoopslastenboek) is het normale comfort van toepassing, tenzij het bouwproject verkocht werd als een “exclusief/luxe” bouwproject met speciale aandacht voor de hoogste eisen en een hogere verkoopprijs, dan zal een gerechtsdeskundige of rechter veelal het verhoogd comfort als de referentie nemen. Het is dus aangewezen om in een lastenboek steeds te vermelden welke akoestische kwaliteit nagestreefd wordt.

 

Wat veelal vergeten wordt bij het bouwen is dat net de akoestiek een belangrijke rol speelt; men doelt hierbij teveel op de thermische aspecten van de renovatie (met de beloftes op een terugbetalingstermijn voor de gemaakte thermische investering) waarbij de akoestische impact vergeten wordt en soms zelfs verslechtert. Het is daarom van belang dat de uitvoerder kennis van zaken heeft en men geen beroep doet op een (goedkopere) onwetende “klusjesman” die de volledige opdracht krijgt. Voor nieuwbouwprojecten is het meestal vanzelfsprekend dat hier een globaal team gebruikt wordt met “kennis van zaken”. Jammer genoeg komen ook hier fouten geregeld voor. Meestal zijn dit slordigheden in de uitvoering of foute structurele keuzes, waarbij onvoldoende aandacht is gegeven aan de verbetering ervan. Zo kiest men structureel soms voor (te lichte) doorlopende vloeren in appartementsbouw (in plaats van onderbroken vloeren ter hoogte van appartementscheidende wanden) om een stijver geheel te verkrijgen. Dit kan in principe, doch men moet dan extra maatregelen treffen om de geluidstransmissie via deze vloeren te annuleren. Dit wordt meestal achterwege gelaten met alle gevolgen van dien. De redenen hiervoor zijn het drukken van economische kosten en/of onwetendheid. Andere veel gemaakte fouten zijn slecht geplaatste soepele randstroken rond de zwevende dekvloeren en randstroken die te kort zijn. Het inwerken van toe- en afvoerleidingen in de zwevende dekvloer gebeurt geregeld en is ook uit den boze.

 

De akoestische norm waarvan sprake betreft verschillende onderwerpen: de luchtgeluidsisolatie, het contactgeluid, de gevelisolatie, het installatielawaai en absorptie. Voor de verschillende akoestische grootheden gehanteerd in de norm, geeft de norm verschillende prestatiewaarden (eisen of criteria) afhankelijk van verschillende gevallen. De geluidsisolatie betreft steeds een verschil in geluidsdrukniveau (te vergelijken met een “luidheid” en gemeten met een gesofisticeerde sonometer) tussen de zendruimte (hier wekt men een geluidsveld (witte ruis) op met een luidspreker) en de ontvangstruimte. Het verschil tussen die twee waarden met een extra correctieterm (op basis van de nagalmtijd in de ontvangstruimte) geeft de luchtgeluidsisolatie weer (de meting wordt uitgevoerd voor alle relevante frequenties (spectrum) typisch gaande van 100 Hz (lage tonen) tot 5000 Hz (hoge tonen)). Daarna herleidt men die spectrale meting (i.e. 18 getalwaarden) tot een ééngetalswaarde, weergegeven door de grootheid DnT,w. Het contactgeluid daarentegen, vaak verkeerdelijk benoemd als “contactgeluidisolatie”, is geen isolatiemeting. Het contactgeluid wordt gemeten door een gestandaardiseerde klopmachine (als representatie van “lopen met schoenen”) te plaatsen op een vloer en dan het veroorzaakte geluidsdrukniveau te gaan meten in een ontvangstruimte. Het aldus spectraal gemeten geluidsdruknviveau gecorrigeerd met een correctieterm (op basis van de nagalm in de ontvangstruimte) geeft het contactgeluid weer in die ruimte. Ook hier herleidt men daarna die spectrale meting (i.e. 18 getalwaarden) tot een ééngetalswaarde, hier weergegeven door de grootheid L’nT,w. De gevelisolatiemeting gebeurt analoog als de luchtgeluidsisolatie met het verschil dat nu een geluid wordt opgewekt buiten het gebouw en dus van buiten naar binnen gemeten wordt. Het installatielawaai betreft in weze het meten van geluidsdrukniveaus als een bepaalde installatie in werking is (tijdens een werkingscyclus). De absorptie in een ruimte betreft dan weer een maat voor de nagalmtijd in die ruimte (gekarakteriseerd door het specifieke verval van het geluidsdrukniveau in de tijd en in die ruimte na het stoppen van een geluidsbron).

 

In de volgende tabel geven we een overzicht van de belangrijkste grootheden uit de akoestische norm.

Er bestaan ook akoestische eisen tussen ruimten uit éénzelfde appartement, doch deze zijn veel minder hoog en zijn zelden of nooit het onderwerp van discussie.

 

Een strenge eis voor de luchtgeluidsisolatie is de eis tussen de gemeenschappelijke traphal en de living of keuken gescheiden door een inkomdeur. In de “moderne” appartementen wordt een inkomhal veelal weggelaten. Dit betekent dat het geluid uit de traphal rechtstreeks doorgaat naar de (open) keuken en/of woonkamer via de inkomdeur. De inkomdeur alleen kan nooit garant staan voor een eis van DnT,w = 54 dB (normaal comfort) en zeker niet voor een eis DnT,w = 58 dB (verhoogd comfort). Bij typische appartementen meet men prestaties die gemakkelijk 5 dB lager zijn dan de eis DnT,w = 54 dB. Voldoen aan deze eis is dus problematisch. Zelfs met een inkomhal (meestal uitgevoerd in glas) zal de eis met grote kans niet bereikt worden. Enkel bij het uitvoeren van een inkomhal uit metselwerk of dubbelwandig plaatmateriaal met akoestische tussendeur zou men kunnen voldoen aan de akoestische eis. Dit vertegenwoordigt een extra kost en natuurlijk ook een goedkeuring op plan (esthetiek, hedendaags praktisch gebruik, ...). Wij zijn van mening dat de eis geformuleerd in de norm daarom voor dit specifieke geval te hoog is en zelfs niet van toepassing is wanneer de traphal slechts één appartement per verdieping verbindt.

 

Bij de renovatie van gebouwen kan soms slechts beperkt ingegrepen worden omwille van constructieve of andere beperkingen. In deze gevallen wordt aan de ontwerper aanbevolen om het mogelijke gebrek aan normaal akoestisch comfort te evalueren en dit schriftelijk te melden aan de bouwheer vóór de start van de werken. Aan de bouwheer wordt aanbevolen om deze vaststellingen schriftelijk te melden aan de toekomstige kandidaat bewoners vóór het afsluiten van koop- of huurverbintenis.

 

 

Praktische uitgangspunten voor een goed akoestisch ontwerp en realisatie in appartementsgebouwen

 

“Een goed ontwerp is half gewonnen” is een aangenomen leuze in de bouwwereld. De architecturale configuratie van een plan leidt tot onmiddellijke oplossingen of soms ook tot problemen. Zo configureert men best de stille delen (vb. Slaapkamer) van een appartement aan één kant en de lawaaiige delen (vb. Keuken, woonkamer) aan de andere kant en behoudt men deze opstelling doorheen de verdiepingen. Het hoeft geen betoog dat men best geen keukens plaatst boven (of onder) slaapkamers en niet alleen voor de akoestiek. Verder is het plaatsen van slaapkamers naast liftkokers ook best te vermijden. Het is niet verboden om te zondigen aan deze regels, doch hierbij zullen extra maatregelen moeten toegepast worden om aan de akoestische eisen te voldoen en om een goede verstandhouding tussen buren te promoten. Zo zullen bij het plaatsen van een keuken boven (of onder) een slaapkamer buiten de te verwachten acties extra acties moeten toegepast worden zoals het ontkoppelen van het keukenmeubilair ten opzichte van de wand, het plaatsen van dempende materialen tussen de kastdeuren, een doordacht ontwerp en/of keuze bedenken voor de dampkapafzuiging/ijskast, viltnoppen onder de stoelen,  enz... Bij het plaatsen van slaapkamers naast de liftkoker moet men een ontdubbelde muur gebruiken rond de liftkoker en de doordacht gekozen liftinstallatie (rails en indien van toepassing de motor) moet resiliënt ontkoppeld zijn van de constructie.

 

Meer en meer worden “casco”-appartementen verkocht, waarbij de eigenaar bijna volledig naar believen zijn appartement kan indelen. Om te verhinderen dat bij “lukrake” configuraties van het appartement geluidshinder ontstaat moet men in de ruwbouwfase reeds tot de vereiste akoestische oplossingen komen. De vloer op zich is meestal nog niet volledig af, omdat de bewoner nog de zwevende dekvloer moet plaatsen (met inachtname van de leidingen). Dit is een cruciaal element in het geheel en wordt ontraden om onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar geplaatst te worden. Ook naar verantwoordelijkheid in het hele proces op zich blijkt dit niet evident te zijn. Bij de ruwbouw wordt dus best ook de zwevende dekvloer correct geplaatst, gezien de hele constructie staat of valt met de opbouw van die zwevende dekvloer. Dit betekent een continue vlakke akoestische onderlaag geplaatst bovenop een thermische isolatie, continue en voldoende hoge randstroken, waarna vervolgens een dekvloer (typisch 6 cm cementgebonden en gewapend) wordt gestort. De leidingen bevinden zich steeds in de thermische isolatie of eronder (in een egalisatielaag). Opstand van leidingen zitten in de muur (geslepen). Het werken met een extra leidingenspouw uit licht plaatmateriaal is ook mogelijk. Punctueel kan er door de zwevende dekvloer een leiding komen (vb. kookeiland). In dit geval moet de leiding omzwachteld zijn met een mof (industrieschaal) minimaal over de volle hoogte van de vloeropbouw. De verdere afwerking is bij de casco-appartementen ten laste van de eigenaar. Hierbij moet een vloerbekleding gekozen worden. Bij stijve vloerbekleding moet men er steeds op toezien dat de vloerbekleding onder geen enkel beding de muren raakt, ook niet de voegspecie/lijm in het geval van tegels. Met andere woorden, de voorziene randstrook zorgt voor een volledige ontkoppeling van de stijve vloerbekleding ten opzichte van de muur. Hierbij mag men dus de randstrook nooit afsnijden vooraleer het plaatsen van de vloerbekleding. Pas na de plaatsing van vloerbekleding mag de randstrook afgesneden worden. Nu kan men overgaan tot het plaatsen van een plint, waarbij de plint ook geen contact maakt met de vloerbekleding. Een voeg van enkele millimeter tussen de onderkant van de plint en de vloerbekleding wordt hierbij opgespoten met een soepel blijvende kit. Er zijn uiteraard ontwerpen waarbij met speciale vloerbekledingen wordt gewerkt en waarbij plinten worden geweerd of verdoken plinten worden gebruikt. Deze speciale uitvoeringen moeten rekening houden met de zonet uiteengezette principes en baseren zich verder op het logische verstand.

 

De voorgaande principes zijn ook van toepassing wanneer een ontwerper een volledig kant-en-klaar appartement oplevert. De structurele vloeren worden in de appartementsbouw meestal uitgevoerd in betonnen welfsels of betonnen predallen (breedplaatvloeren). Voor een zelfde dikte zijn de predallen zwaarder, doch kunnen grotere overspanningen aan. Dit leidt tot het feit dat de predallen iets dunner zijn dan de welfsels voor dezelfde overspanning. Predallen worden ook eerder aangewend in het geval van speciale vormgevingen van het architecturaal plan. De structurele vloer moet in alle geval een minimale oppervlaktemassa hebben van 350 kg/m2 (voor normaal comfort) verder afhankelijk van de wandopbouw. Dit betekent zware enkelvoudige (meer dan 400 kg/m2 voor normaal comfort) of ontdubbelde wanden (elk meer dan 250 kg/m2 of 150 kg/m2 met elastische muurstroken voor normaal comfort) en geen doorlopende structurele vloeren; de vloer mag dus een eventuele dubbele wandopbouw niet kortsluiten, omdat we hierbij men een belangrijk deel van de verhoopte akoestische isolatie van de dubbele wand verliezen (tot 10 dB kan verwacht worden). Indien de draagvloer toch doorlopend is dan zal deze een minimale oppervlaktemassa hebben van 400 kg/m2 (voor normaal comfort). Bij de opbouw van de woningscheidende vloeren en wanden moeten we tegelijkertijd rekening houden met de thermische eis, die op vandaag U <= 0,6 W/m2K bedraagt. Deze eis vormt voorlopig geen tegenstrijdigheden met de akoestische oplossingen. In het geval van een enkele muuropbouw tussen appartementen zal dus nog een voorzetwand moeten geplaatst worden (let op: de gebruikte thermische isolatie moet dan een minerale wol zijn; met een dikte van 5 cm voldoet men reeds aan de thermische eis).

 

Zoals reeds vermeld zal de inkomdeur problematisch zijn wanneer er geen (akoestische) inkomsas is naar het appartement. Het plaatsen van een zware akoestische deur zonder inkomsas is tevergeefse moeite. Er werd al opgemerkt dat het behalen van de akoestische eis in dit geval zo goed als onmogelijk is. De norm geeft hierbij geen oplossingen en dus worden deze geval-per-geval behandeld en beoordeeld.

 

Voor wat betreft de gevelvlakken is het gebruik van ventilatieroosters een cruciaal element. De nodige prestaties van de vensters kunnen hierbij perfect volgens de norm berekend worden (de thermische prestaties vormen geen hinder bij een glaskeuze op basis van akoestische eisen – beide eisen zijn compatibel). Dit geldt ook voor de ventilatieroosters, doch hier worden vaak fouten gemaakt. Allereerst moet de juiste grootheid gebruikt worden: voor ventilatieroosters is dit DneAtr. Dit is een grootheid die rekening houdt met een oppervlakte van 10 m2. Dit betekent dat het rooster hoewel heel klein (< 1 m2) in de realiteit “kunstmatig” wordt berekend op 10 m2. Dit proces heet “normaliseren” en zorgt ervoor dat de roosters als “entiteiten” met elkaar vergeleken kunnen worden zonder te moeten refereren naar hun reële geteste oppervlakte. De fout die hierbij gemaakt wordt is dat vele ontwerpers opnieuw enkel de getalwaarde horende bij DneAtr vergelijken met de getalwaarde horende bij Rw (voor het venster) zonder te beseffen dat deze twee grootheden niet zomaar met elkaar kunnen vergeleken worden. Zo’n fout kan de ontwerper duur komen te staan omdat als men deze vergelijking maakt, men het rooster met meer dan 10 dB overschat, waarna men in-situ een veel lagere prestatie zal bekomen dan verwacht.  Een veel gemaakte fout is ook dat de akoestische prestaties van de roosters moeten bekeken worden (in een technische fiche) in de geopende toestand, dus niet in gesloten toestand. Dit maakt een groot verschil in de akoestische prestatie. Het is daarom dat (dure) akoestische ventilatieroosters genoodzaakt zijn wanneer men aan de straatkant ventileert. Het valt niet te verwonderen dat men meer en meer ventilatiesysteem D ziet opduiken, blijkbaar niet alleen door deze akoestische vraagstukken doch ook omdat ontwerpers hun gevels vrij willen houden van “zwaardere” ventilatieroosters (men ziet als respons hierop een opkomende trend van “esthetische” (akoestische)  ventilatieroosters). Bij ventilatiesysteem D heeft men nog wel te kampen met installatielawaai. Hierbij is het geproduceerde geluidsvermogen van de ventilator van belang. Dit bepaalt of men al dan niet een akoestische demper in de leiding zal plaatsen. Het toestel op zich zal altijd resiliënt ontkoppeld zijn van zijn draagstructuur. Verder moeten de inblaassnelheden uit de leidingen altijd beperkt blijven tot 2 m/s en is de keuze van het ventiel van belang om turbulente stroming (lees: “lawaai”) te vermijden.

 

 

Conclusies

 

De impact van akoestiek in ons dagelijkse leven wordt elk jaar belangrijker als we denken aan de stijging van het omgevingslawaai, de (psychologische en fysiologische) impact die het heeft op ons al zo druk leven en de gestage evolutie naar “cocooning” in onze maatschappij. De akoestische problematiek is ook direct “aanwijsbaar” in tegenstelling tot thermische problemen die met geluk een jaar later waarneembaar zijn. Het is dan ook niet onlogisch dat akoestiek een cruciale rol speelt in de bouw.  Appartementsbouw is een complex vraagstuk en moet vanuit het akoestische standpunt op een driedimensionele manier opgevat worden. Dit betekent door zowel de aard van de vloer als van de wanden in acht te nemen bij de evaluatie van de akoestische isolatie. De vloeren en wanden hebben dus kruislings een impact op elkaar en door de opbouw ervan kunnen er veel verschillende situaties geanalyseerd worden. Het is reeds duidelijk dat de integratie van de akoestische problematiek vanaf het begin van het ontwerp cruciaal is. Men zou kunnen zeggen dat de akoestische problematiek eerder aanleunt bij de structurele problematiek van het gebouw dan bij het thermische vraagstuk. De thermische oplossingen zijn eerder een extra “layer” bovenop de reeds ingebrachte structurele en akoestische oplossingen.

De zichzelf respecterende promotor heeft de verschillende situaties door een akoestisch expert laten analyseren en weet perfect wat hiervan de economische kost is. Voor de invloed van de thermische eisen op de constructie zijn er voorlopig geen problemen qua compatibiliteit met de akoestische oplossingen. Ook voor de ventilatieproblematiek zijn er compatibele oplossingen hetzij ietwat moeilijker dan voor de woningscheidende constructies.  Een pragmatische indeling van het gebouw zorgt reeds voor gemakkelijkere akoestische toepassingen in het voortraject van het ontwerp. Het achteraf oplossen van akoestische problemen is veel moeilijker, kostelijker en bezorgt een belangrijk ongemak voor de bewoners. Er zou een streven moeten zijn van de ontwerper/uitvoerder om goedgekeurde en geverificeerde oplossingen te willen integreren in hun dagelijkse praktijk. Opleidingen zijn hiervoor cruciaal.

Dit artikel werd opgemaakt in het kader van het VIS-IV project 'IDEA'

Met de steun van