Sinds 2 oktober 2023 is er een nieuwe GSV Hemelwater van kracht. Omdat die voor architecten en vergunningverleners begrijpelijk zou zijn, werd ook een Technisch Achtergronddocument opgemaakt. Dit uitgebreide document geeft aan op welke manier de verordening moet toegepast worden.

Toch blijken niet alle vragen hiermee opgelost. Vooral het feit dat de verordening uitzonderingen toestaat, maar dat die niet bepaalt welke uitzonderingen mogelijk zijn en welke niet, zorgt voor veel problemen in de praktijk. Daarom schreef minister van Omgeving Jo Brouns op 5 december 2025 een omzendbrief, die een aantal uitzonderingen op de verordening verduidelijkt, en meteen ook een aantal misverstanden de wereld uit helpt.

HOE PAS JE DE OMZENDBRIEF TOE?

Een omzendbrief is geen wijziging van wetgeving. De omzendbrief creëert dus geen nieuw wettelijk kader, maar verduidelijkt hoe de bestaande wetgeving moet worden geïnterpreteerd. Dat heeft gevolgen voor je lopende dossiers.

De verduidelijking komt wel neer op een behoorlijke versoepeling ten opzichte van de tot nu toe gehanteerde interpretatie. Er zijn bijvoorbeeld uitzonderingen voorzien voor kleine tuinen en voor waterdoorlatende toegangen tot gebouwen.

Volgende regels gelden:

  • Als er volgens de omzendbrief geen infiltratievoorziening hoeft geplaatst te worden, dan kan je een uitzondering aanvragen.
  • Als er volgens de omzendbrief een ondergrondse infiltratievoorziening mag geplaatst worden, dan volstaat een eenvoudige motivatie, waarin je verduidelijkt waarom je afwijkt.
  • Als er volgens de omzendbrief een waterdoorlatende verharding met helling tot 5% mag aangelegd worden, dan vraag je hiervoor een uitzondering aan.

In de drie gevallen moet je dus nog steeds het hemelwaterformulier volledig invullen. Je voegt vervolgens je vraag tot uitzondering of je motivatie toe in de bijlagen van je dossier.

HOE GA JE OM MET REEDS VERGUNDE DOSSIERS?

De omzendbrief was van toepassing voor alle vergunningsaanvragen vanaf 2 oktober 2025. Dat betekent dat oudere, al of niet uitgevoerde vergunningen hier buiten vallen. Juridisch verandert er dus niets voor deze vergunningen. Deze moeten uitgevoerd worden conform de verleende vergunning en haar voorwaarden. Een afwijkende uitvoering kan beschouwd worden als een bouwovertreding en bovendien leiden tot een niet-conform keuringsattest voor de riolering.

Wat is er dan wel nog mogelijk?

  • Een nieuwe vergunning aanvragen met de gewenste wijziging.
  • Een bijstelling van de vergunningsvoorwaarden aanvragen (indien er voorwaarden m.b.t. de GSV Hemelwater zijn opgenomen in de vergunning).
  • Een regularisatie aanvragen voor een gewijzigde uitvoering. Dit houdt uiteraard een risico in, want mogelijk is de gewijzigde uitvoering niet vergunbaar. Neem daarom best vooraf contact op met de gemeente om dit te bespreken.

DE BELANGRIJKSTE VERDUIDELIJKINGEN UIT DE OMZENDBRIEF

EENDUIDIGE TOEPASSING

Minister Brouns benadrukt dat vergunningverleners niet zomaar strengere eisen mogen opleggen dan wat in de gewestelijke hemelwaterverordening staat. Alleen bij concrete plaatselijke omstandigheden, of wanneer er bijvoorbeeld een goedgekeurd hemelwater- en droogteplan is, kan dit gemotiveerd worden. Zo wordt vermeden dat vergelijkbare dossiers in verschillende gemeenten ongelijk worden behandeld.

OMGAAN MET UITZONDERINGEN

De minister verduidelijkt dat de vergunningverlener pragmatisch moet omgaan met uitzonderingen, zonder daarbij de hoofddoelstelling uit het oog te verliezen, namelijk het hemelwater maximaal laten infiltreren op het eigen terrein. Alternatieve systemen die beter of gelijkwaardig zijn, moeten dan ook mogelijk zijn.

ONDERGRONDSE INFILTRATIEVOORZIENINGEN

De hemelwaterverordening voorziet dat bovengrondse infiltratievoorzieningen de voorkeur genieten. Ondergrondse voorzieningen zijn toelaatbaar wanneer dat onvermijdelijk is. Dat is onder andere het geval bij:

  • technische redenen;
  • juridische redenen;
  • efficiënt ruimtegebruik;
  • plaatsgebrek.

INFILTRATIEVOORZIENINGEN IN KLEINE TUINEN

In smalle of beperkte tuinzones is een bovengrondse infiltratievoorziening vaak niet haalbaar. Daarom voorziet de minister een aantal uitzonderingsmogelijkheden:

  • Een ondergrondse infiltratievoorziening kan toegestaan worden bij:
    • achtertuinen met een oppervlakte tot ca. 100 m²;
    • achtertuinen met een breedte tot ca. 6 m en een beperkte diepte;
    • achtertuinen met een beperkte diepte.
  • Als de achtertuin kleiner is dan 100 m² en minstens de helft van het dakvlak uitgevoerd wordt als groendak, dan kan toegestaan worden dat er geen infiltratievoorziening wordt geplaatst.
  • Als de achtertuin kleiner is dan 50 m², dan kan toegestaan worden dat er geen infiltratievoorziening wordt geplaatst.

DIEPTE VAN INFILTRATIEVOORZIENINGEN

De verordening hanteert standaard een maximale infiltratiediepte van 50 cm, tenzij je aantoont dat het grondwater dieper zit. De omzendbrief verduidelijkt dat een grotere diepte toelaatbaar is mits je dit motiveert met de betrouwbare Gemiddelde Hoogste Grondwaterstandgegevens uit de DOV-Verkenner. Zo ontstaat meer technische flexibiliteit, zonder afbreuk te doen aan de milieudoelstellingen.

WATERDOORLATENDE TOEGANGEN TOT GEBOUWEN MET EEN HELLINGSPERCENTAGE TOT EN MET 5%

Tot nu toe werden waterdoorlatende verhardingen enkel aanvaard bij een helling kleiner dan 2%. De nieuwe omzendbrief verruimt dat: zulke verhardingen blijven ook doeltreffend tot een hellingsgraad van 5%. Daardoor kan voor toegangen tot gebouwen een uitzondering op de verordening worden toegestaan tot die hellingsgraad. Dat maakt het mogelijk om ook op licht hellende percelen integraal toegankelijke én klimaatbestendige toegangen te ontwerpen.

VERGUNNINGSAANVRAAG VOLGENS NORMENBOEK

Tot slot herinnert de minister eraan dat advies- en vergunningverleners geen dossiers onvolledig mogen verklaren wanneer zij bijkomende informatie opvragen die niet in het normenboek of de GSV Hemelwater zijn opgenomen. Extra planlast hoort niet thuis in de ontwerpfase, maar in het uitvoeringsdossier.

Silvia

Ir.-arch. Silvia De Nolf

Adviseur studiedienst

NAV