Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen in een notendop

Doel?

Minder bijkomend ruimtebeslag en meer ontwikkeling binnen het bestaande bebouwde weefsel.

Wanneer van kracht?

Nog in opmaak. Definitieve vaststelling verwacht rond 2027, met een groeiende impact op dossiers vanaf de volgende beleidsfases.

Opgemaakt door?

Vlaamse overheid.

Goedgekeurd door?

Vlaamse Regering.

Impact voor architecten?

Het BRV wijzigt geen regels, maar beïnvloedt steeds sterker wat als goede ruimtelijke ordening geldt. Onderbouwing, ruimtelijke kwaliteit en beleidsafweging wegen zwaarder door in vergunningen.

WAT IS HET BRV?

Met de conceptnota van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BVR) zet Vlaanderen een nieuwe stap in een al langer lopende zoektocht naar een coherenter, duurzamer en rechtvaardiger ruimtegebruik. Het plan wil richting geven aan hoe we in de komende decennia wonen, werken, ons verplaatsen en omgaan met open ruimte, water en landschap. Daarmee is het BRV niet louter een visie-oefening, maar een beleidskader dat steeds nadrukkelijker zal doorwerken in concrete beslissingen. Het BRV zal verregaande gevolgen hebben voor iedereen die vandaag bouwt, ontwerpt of investeert in Vlaanderen.

Centraal in het BRV staat de bouwshift: de ambitie om bijkomende ruimte-inname af te bouwen en nieuwe ontwikkelingen in hoofdzaak te laten plaatsvinden binnen het bestaande ruimtebeslag.

WAT VERANDERT ER?

1. Minder versnipperde bebouwing

Tegen 2040 wil Vlaanderen evolueren naar nul hectare netto bijkomend ruimtebeslag. Die doelstelling sluit aan bij Europese tendensen rond ‘no net land take’. Ze is ingegeven door een samenloop van uitdagingen: de druk op open ruimte, toenemende klimaatrisico’s, wateroverlast en droogte, verlies aan biodiversiteit, groeiende mobiliteitsproblemen en een steeds nijpendere woonvraag.

Het BRV bouwt daarbij voort op de bestaande ruimtelijke realiteit. Vlaanderen is vandaag al voor ongeveer een derde ingenomen door bebouwing, infrastructuur en verharding. De centrale vraag is dus niet langer waar uitbreiding nog mogelijk is, maar hoe het bestaande ruimtebeslag slimmer, compacter en kwalitatiever kan worden georganiseerd. De conceptnota benoemt dit expliciet als een ruimtelijke transformatieopgave: het bestaande weefsel moet worden herwerkt, open ruimte moet samenhangender worden en nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan een beter functionerend geheel.

Die benadering vraagt een andere kijk op ruimtelijk rendement. Verhoogd ruimtelijk rendement ontstaat wanneer meer activiteiten en functies op eenzelfde oppervlakte worden georganiseerd, zonder dat dit ten koste gaat van leefkwaliteit. Dat kan door intensiever gebruik, hergebruik en herbestemming, door verweving van functies en door tijdelijk gebruik, maar ook door de driedimensionale potenties van ruimte te benutten, bijvoorbeeld door in de hoogte te bouwen of activiteiten ondergronds te organiseren.

2. Minder versnipperde besluitvorming

Het plan wil ook breken met de huidige aanpak waarin beslissingen versnipperd en sectoraal worden genomen, en schuift een geïntegreerde benadering naar voren waarin wonen, economie, mobiliteit, water, energie en landschap in samenhang worden bekeken. Die integrale visie wordt ondersteund door de introductie van een ruimtelijk kompas, dat fungeert als toetsingskader voor het ruimtelijk handelen en dat bestaat uit zes kernprincipes.

  1. Zorgvuldig ruimtegebruik
  2. (Potentiële) knooppuntwaarde en voorzieningenniveau zijn sturend (zie kaderstuk)
  3. Verweven wat kan, scheiden wat moet
  4. Het fysisch systeem is sturend
  5. Kwaliteitssprong
  6. Geïntegreerde aanpak over sectoren heen

Het BRV zal uiteindelijk bestaan uit een strategische visie en meerdere operationele beleidskaders. In die beleidskaders wordt ingezet op urgente maatschappelijke noden en wordt het beleid concreet en actiegericht gemaakt. Deze zes beleidskaders vormen samen het instrumentele hart van het BRV:

  1. Ruimte voor wonen
  2. Ruimte voor economie
  3. Ruimte voor biodiversiteit
  4. Ruimte voor water
  5. Ruimte voor energie
  6. Ruimte voor land- en tuinbouw

In deze kaders zal Vlaanderen verduidelijken welke rol het zelf opneemt, welke verwachtingen er zijn ten aanzien van provincies, gemeenten en andere partners, en welke instrumenten en middelen worden ingezet of ontwikkeld. Daarbij worden ook operationele doelstellingen vastgelegd, zodat de strategische visie daadwerkelijk kan doorwerken op het terrein. Het ruimtelijk kompas is in deze beleidskaders sturend en zorgt voor samenhang tussen de verschillende thema’s.

3. Onderbouwing wint aan belang

Dat alles maakt het BRV bijzonder relevant voor de dagelijkse praktijk. Het plan is geen klassiek bestemmingsinstrument en wijzigt op zich geen stedenbouwkundige voorschriften. Maar het bepaalt steeds meer wat als ‘goede ruimtelijke ordening’ geldt. In dossiers waar interpretatie, afweging en motivatie een rol spelen, zal de logica van het BRV steeds vaker meewegen. Voor architecten betekent dit dat ruimtelijke argumentatie aan belang wint ten opzichte van loutere conformiteit met de regels. Het is een fundamentele verschuiving van een strikt regelgedreven beoordeling naar een beleidsmatige afweging waarin kwaliteit, samenhang en langetermijneffecten expliciet worden meegenomen.

(Lees verder onder het kaderstuk.)

‘Knooppuntwaarde’ wordt kernprincipe

De bijkomende woonvraag, nieuwe voorzieningen en verweven werklocaties worden in de eerste plaats opgevangen in goed gelegen kernen en knooppunten, maximaal binnen het bestaande ruimtebeslag. Het gaat daarbij om locaties met een hoge bereikbaarheid, nabijheid van voorzieningen en potentieel voor functiemenging. Uitzonderlijke uitbreidingen of substantiële verdichting zijn enkel aan de orde wanneer ze afgestemd zijn op de draagkracht en schaal van de kern. Knooppuntwaarde wordt zo een ruimtelijk afwegingscriterium dat helpt om keuzes te verantwoorden en om ontwikkeling te concentreren daar waar ze maatschappelijk het meest rendeert.

WANNEER TREEDT HET IN WERKING?

Het BRV is nog volop in ontwikkeling. De conceptnota vormt slechts een eerste stap. De definitieve vaststelling wordt pas rond 2027 verwacht, waarna provincies en gemeenten hun eigen beleidsplannen en instrumenten moeten herwerken. Dat is een intensief proces dat meerdere jaren in beslag zal nemen.

De komende maanden, met de opmaak van een ontwerp-BRV en een nieuw openbaar onderzoek, worden cruciaal om de visie verder te concretiseren en bij te sturen. Al zal het succes van het BRV niet alleen afhangen van de scherpte van die visie, maar ook van de snelheid waarmee kwalitatieve instrumenten daarna worden ontwikkeld.

WAT DOET NAV?

De bouwshift wordt breed gedragen als doelstelling, maar er is ook een groeiend besef dat ze alleen kan slagen als ze uitvoerbaar en betaalbaar blijft. Evenzeer cruciaal: zolang beleidskaders, compensatieregelingen en ondersteunende instrumenten niet zijn uitgewerkt, mag de transitie niet leiden tot rechtsonzekerheid of een feitelijke ontwikkelingsstop in individuele dossiers.

Tegelijk kun je het BRV niet los zien van het Actieprogramma Vergunningen van Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns en minister-president Matthias Diependaele. Dit plan moet een ‘vergunningenrevolutie’ ontketenen. Laten we hopen dat de ministers nu écht doorduwen, want een proportioneel, transparant en oplossingsgericht vergunningenbeleid vormt een noodzakelijke hefboom om het BRV te laten slagen.

Verder mag duidelijk zijn dat ruimtelijke transitie geen kwestie is van één beroepsgroep of één beleidsniveau, maar een gedeelde verantwoordelijkheid van ontwerpers, ontwikkelaars, aannemers, overheden en investeerders.

NAV heeft, samen met andere actoren uit de bouw- en vastgoedsector, een gezamenlijke reactie ingediend op de conceptnota van het BRV, waarin deze besognes aan bod komen.

CONCLUSIE

Voor architecten betekent het BRV een belangrijke verschuiving in rol en verantwoordelijkheid. Verdichting binnen bestaande kernen is complexer dan bouwen op vrije percelen. Het vraagt meer analyse, meer afstemming, meer participatie en vaak ook meer tijd. Tegelijk is de meerwaarde van architecten hier het grootst. Zij beschikken over de ruimtelijke expertise om beleidsdoelstellingen te vertalen naar haalbare, gedragen en kwalitatieve projecten. Ontwerp wordt daarbij het verbindende instrument tussen beleid en praktijk.

Het BRV biedt ook kansen om de wildgroei aan lokale regels aan te pakken via een sterker Vlaams kader. Tegelijk blijven er belangrijke aandachtspunten. Zonder een vlotter en rechtszekerder vergunningskader dreigt verdichting vast te lopen.

NAV zal het traject in de volgende fasen dan ook actief blijven opvolgen en zich opnieuw engageren in het komende openbaar onderzoek.

Wim

Arch. Wim Verschueren

Adviseur studiedienst

NAV