Waarom valt de factuur van grote bouwwerken telkens veel zwaarder uit dan oorspronkelijk geraamd? Het artikel in De Morgen van afgelopen weekend, over ontsporende budgetten bij grote bouwprojecten, raakt zonder twijfel een gevoelige snaar. Dat publieke middelen zorgvuldig moeten worden besteed, staat buiten discussie. Dat ontwerpers daarin mee verantwoordelijkheid dragen, evenmin.

De zwarte piet voor de architect

Maar wanneer het over die verantwoordelijkheid gaat, verdient het debat toch meer nuance dan de suggestie dat het wel de architecten zullen zijn die achteloos omspringen met budgetten.

Laat één ding duidelijk zijn: aan maatschappelijk engagement en verantwoordelijkheidszin is er in onze sector allerminst een tekort. Uitspraken als “er zijn architecten voor wie een budget hoogstens richtinggevend is”, zijn dan ook een te gemakkelijke manier om de zwarte piet door te schuiven. Meer nog: ze verraden een gebrek aan zelfreflectie bij opdrachtgevers die diezelfde budgetten mee bepalen.

Het is de wereld op zijn kop. En ja, met NAV kloppen we al jaren op dezelfde nagel, maar dat is omdat die nagel al even lang scheef in het systeem zit geslagen. Vraag het aan eender welke architect die geregeld deelneemt aan overheidswedstrijden, en het antwoord zal opvallend unaniem zijn: publieke opdrachtgevers verwachten steevast maximale architecturale kwaliteit binnen budgettaire marges die daar nauwelijks ruimte voor laten.

Een systeem dat onrealistische verwachtingen beloont

Voor wie minder vertrouwd is met openbare aanbestedingen, volgt hier een snelcursus. Het probleem begint vaak al bij de aanbestedingsprocedure zelf. Architectenbureaus investeren enorme hoeveelheden tijd, expertise en middelen in wedstrijdontwerpen. De gevraagde ‘schets’ is namelijk allesbehalve een snelle krabbel. Integendeel, op het moment dat een opdrachtgevende overheid een ontwerp selecteert, eist die vaak dat cruciale keuzes over volume, inplanting, gevel, circulatie en technische organisatie al vastliggen. Werk je in deze fase niet grondig genoeg, dan lig je onvermijdelijk uit de race, want de selectie gebeurt al in grote mate op basis van de ontwerpambitie die uit je eerste voorstel spreekt. De vergoeding voor dat intensieve voorwerk blijft echter beschamend beperkt of ... onbestaand.

Tussen hamer en aambeeld

Een ontwerper bevindt zich dus geregeld tussen hamer en aambeeld. Niets illustreert die catch-22 beter dan architectenkantoren die tijdens een aanbestedingsprocedure aangeven dat het programma van eisen eenvoudigweg niet haalbaar is binnen het vooropgestelde bouwbudget. Hun offerte wordt dan als ‘onregelmatig’ beoordeeld, waarna men probleemloos verdergaat met kandidaten die wél beloven het maximum te realiseren met minimale middelen. Zij doen dat ten koste van het eigen ereloon – waar al nauwelijks nog rek op zit – of met budgetoverschrijdingen later in het traject als onvermijdelijk gevolg. Bovendien wordt zelden rekening gehouden met de nochtans perfect voorspelbare ‘onvoorziene omstandigheden’ die grote bouwprojecten kenmerken: technische moeilijkheden tijdens het bouwproces, vertragingen, stijgende materiaalprijzen, inflatie, wijzigende regelgeving of opdrachtgevers die tijdens het traject blijven bijsturen.

Net om dergelijke mechanismen zichtbaar te maken, lanceerde NAV enkele maanden geleden de Wall of Shame: een platform dat de schijnwerper richt op misbruik bij overheidsaanbestedingen.

Laat ons dan ook gewoon de mythe doorprikken: zolang sommige overheden blijven doen alsof grootse architectuur mogelijk is zonder realistische budgetten, blijven ontsporende bouwkosten een logisch gevolg.

Wij bedanken dus vriendelijk voor de zwarte piet. En ja, we zullen op diezelfde nagel blijven kloppen tot eindelijk wordt erkend dat het volledige aanbestedingssysteem dringend hertekend moet worden, zodat architecten kunnen werken binnen realistische voorwaarden, eerlijke vergoedingen en haalbare verwachtingen.