Technisch achtergronddocument: even opfrissen

Het technisch achtergronddocument heeft tot doel de GSV hemelwater te verduidelijken en te kaderen. Het is niet de bedoeling om in dit document bijkomende verplichtingen of versoepelingen op te leggen. In het geval van verschillende interpretatiemogelijkheid is de GSV hemelwater steeds leidend.

Het eerste technisch achtergronddocument dateert al van 2023. Begin 2024 kwam er een tweede versie met een verduidelijking voor ondergrondse voorzieningen en dit jaar is er een algemene herziening gebeurd van het document.

Check nu de nieuwe versie

Op 23 juni 2025 keurde de CIW (Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid) de aangepaste versie van het technisch achtergronddocument goed. Dit is versie 1.2.

Er zijn heel wat kleine wijzigingen, zowel tekstueel als inhoudelijk, maar er zitten ook enkele grotere toevoegingen in.

Belangrijkste wijzigingen

We sommen hieronder de belangrijkste wijzigingen aan het technisch achtergronddocument voor je op:

Richtlijnen voor waterdoorlatende verhardingen

De richtlijnen voor waterdoorlatende verhardingen onder 📄 2.1.5 worden verduidelijkt, zodat hier minder discussie over ontstaat in de praktijk.

Voor waterdoorlatende verhardingen gelden nu deze richtlijnen:

  • Indien de waterdoorlatende verharding geen afvoer heeft: GSV hemelwater is niet van toepassing als deze kan afvloeien naar een onverharde zone op eigen terrein, waar het kan infiltreren.
    • Indien de helling ≥ 2% bedraagt deze onverharde zone minimum 25%.
    • Indien de helling < 2% wordt verondersteld dat het water gewoon zal infiltreren op de waterdoorlatende verharding zelf.
  • Indien de waterdoorlatende verharding een afvoer heeft dient deze aangesloten te worden op de infiltratievoorziening.
    • Indien de helling ≥ 2%: de verharding moet volledig meegeteld worden bij de ‘afwaterende oppervlakte’ om de grootte van de infiltratievoorziening te bepalen.
    • Indien de helling < 2%: de verharding moet niet meegeteld worden bij de ‘afwaterende oppervlakte’ om de grootte van de infiltratievoorziening te bepalen. De afvoer wordt in dit geval beschouwd als een noodoverloop van de waterdoorlatende verharding. De afvoer ligt op maaiveldniveau of hoger en niet in de fundering van de waterdoorlatende verharding.

Wanneer een hemelwaterput plaatsen?

Onder 📄 3.2 wordt verduidelijkt wanneer het plaatsen van een hemelwaterput verplicht is. Dit hoofdstuk is helemaal herschreven per situatie: nieuwbouw, herbouw, uitbreiding, ingrijpende verbouwing, groendaken, verhardingen en dakterrassen.

Hemelwaterputten voor grote eengezinswoningen

Onder 📄 3.6.1 wordt bepaald hoe groot de hemelwaterput moet zijn voor een eengezinswoning. Voor grote eengezinswoningen is nu het volgende opgenomen:

Indien een eengezinswoning een oppervlakte heeft van meer dan 200 m², maar het aantal slaapkamers is maximaal 4, volstaat een hemelwaterput van 10.000 liter volgens de gebruikelijke berekeningen. Een hemelwaterput van 10.000 liter zal hiervoor dan ook volstaan, groter mag uiteraard. Hiervoor is geen berekeningsnota vereist.

Hemelwaterput met dieper liggende buizen

In het technisch achtergronddocument is nu ook nagedacht hoe je een hemelwaterput en infiltratievoorziening kan plaatsen als de afvoerbuizen op grotere diepte gelegen zijn. De volgende tekst is bijgevoegd onder 📄 3.7.1 voor deze veel voorkomende situatie:

Hemelwaterput met dieper liggende buizen

Aansluiting van een hemelwaterput met dieper liggende buizen. Deze principeschets is gevoegd bij paragraaf 3.7.1 in het technisch achtergronddocument.

Soms bevinden de buizen naar de hemelwaterput zich op een grotere diepte. Dan is het niet mogelijk om de buis naar de infiltratievoorziening ondiep aan te brengen.

De buizen van de hemelwaterput naar de infiltratievoorziening worden op een diepte van 70 cm onder maaiveldniveau aangebracht. De buizen leiden dan naar een ondergronds infiltratiesysteem dat overloopt via een klokput naar het bovengronds infiltratiesysteem. Het ondergronds systeem bestaat bijvoorbeeld uit een infiltratiebuis en/of infiltratiekoffer die uitmondt in een controleschacht. De ondergrondse infiltratiebuis en -koffer worden niet meegerekend als infiltratievoorziening. Het volume en de infiltratieoppervlakte van de ondergrondse structuur mogen enkel meegerekend worden als hiervoor een motivatie wordt toegevoegd bij de vergunningsaanvraag. De vergunningverlener oordeelt of deze aanvaard wordt of niet.

Diepte van de infiltratievoorziening

Onder 📄 4.6.1 wordt vastgelegd hoe je de diepte van je infiltratievoorziening kan bepalen. Als je dieper wil infiltreren dan 50 cm moet de grondwaterstand aangetoond worden. Het is niet altijd mogelijk om grondwaterproeven uit te voeren tussen november en april. Daarom is volgende paragraaf toegevoegd:

Als het niet mogelijk is om de grondwaterpeilmetingen te doen tussen de maanden november en april (bijvoorbeeld omdat de vergunning in november moet ingediend worden) mag de gemiddelde hoogste grondwaterstand bepaald worden aan de hand van de grondwaterstandsindicator, zoals beschreven in de code van goede praktijk rioleringssystemen deel 3 bronmaatregelen onder 3.10.1.2. Hiervoor is statistische software nodig.

Waterdoorlatende verhardingen in bovengrondse infiltratievoorzieningen en bovengrondse infiltratievoorzieningen in niet-natuurlijke materialen

In de verordening wordt bepaald dat infiltratievoorzieningen bovengronds moeten aangelegd worden, maar er is niet bepaald hoe die moeten uitgevoerd worden. Daarom zijn volgende paragrafen toegevoegd in het technisch achtergronddocument onder 📄 4.7.1:

Waterdoorlatende verhardingen in bovengrondse infiltratievoorzieningen

De bodem van een bovengrondse infiltratievoorziening is bij voorkeur onverhard. Wanneer de waterdoorlatendheid van de bodem gegarandeerd of (bij voorkeur) verbeterd wordt, kunnen niet natuurlijke of half-verharde materialen gebruikt worden. Ter onderbouwing dient een profieltekening te worden toegevoegd met de opbouw van de bodem en de gebruikte materialen. Schors wordt niet aanvaard omdat het drijft op water. Er dient op gelet te worden dat de bodem op termijn niet zal verdichten door dubbel gebruik. Als aan bovenstaande voorwaarden is voldaan, kan de bodem meegeteld worden als infiltratieoppervlakte.

Bovengrondse infiltratievoorzieningen in niet-natuurlijke materialen

Bovengrondse infiltratievoorzieningen worden bij voorkeur groen aangelegd. Soms is het onvermijdbaar om wanden, bodems, open koffers of afdekroosters van niet-natuurlijke materialen zoals waterdoorlatend beton, kunststof of metaal te gebruiken voor de aanleg van een infiltratievoorziening. Ook hier geldt: wanneer de waterdoorlatendheid van het geheel gegarandeerd of (bij voorkeur) verbeterd wordt kunnen deze materialen gebruikt worden. De werking van de infiltratievoorziening moet reinigbaar en inspecteerbaar blijven.

Waterdoorlatende verhardingen als ondergrondse infiltratievoorziening

We haalden hierboven al aan dat waterdoorlatende verhardingen kunnen aangebracht worden in bovengrondse infiltratievoorzieningen. Maar onder 📄 4.7.7 zijn waterdoorlatende verhardingen nu ook beschreven als een vorm van een ondergrondse infiltratievoorziening.

Stuwmuurtje

Er is ook een typeprofiel toegevoegd van hoe een waterdoorlatende verharding als ondergrondse infiltratievoorziening onder helling kan worden uitgevoerd.

Waterdoorlatende verhardingen (eventueel met bijkomende ondiepe buffering door bv. de toepassing van infiltratieblokken of een dikkere onderfundering) met een helling van minder dan of gelijk aan 5% (zie hiervoor dossier 5 OCW, pagina 7 dossier5rev1_nl.pdf) kunnen mits een goede motivatie worden beschouwd als een ondergrondse infiltratievoorziening. Hier kan dus extra afwaterende oppervlakte op aangesloten worden. In tegenstelling tot andere ondergrondse infiltratievoorzieningen mag hierbij rekening gehouden worden met de volledige horizontale projectie van de waterdoorlatende verharding als infiltratieoppervlakte, indien deze zich boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand bevindt. De oppervlakte van de waterdoorlatende verharding moet zelf mee in rekening gebracht worden bij de bepaling van de afwaterende oppervlakte, zelfs als de helling kleiner is dan 2%. Als infiltratievolume telt enkel het werkelijk beschikbaar volume.

Duidelijker en logischer, maar échte hervorming dringt zich op

De update van het technisch achtergronddocument is een stap in de goede richting. Al blijft de wetgeving zelf te rigide en te betuttelend. Een fundamentele hervorming is daarom nodig. De doelstelling moet uiteraard blijven om het water zoveel mogelijk op het perceel vast te houden. Maar de manier waarop moet worden bepaald door de architect en de opdrachtgever. Bij de vergunningsaanvraag moet een correcte dimensionering volstaan, en de technische uitwerking mag en moet kunnen evolueren doorheen het ontwerp- en bouwproces. Zo'n hervorming wordt een werk van lange adem. We houden je op de hoogte.

Silvia

Ir.-arch. Silvia De Nolf

Adviseur studiedienst

NAV

Gerelateerde artikelen