De Vlaamse overheid wil met het nieuwe M-peil de milieu-impact van bouwmaterialen over de volledige levenscyclus van een gebouw in kaart brengen en begrenzen. Netwerk Architecten Vlaanderen (NAV) steunt die ambitie, maar waarschuwt dat de huidige beleidsplannen dreigen te leiden tot vermijdelijke meerkosten door kafkaiaanse administratie voor al wie nieuwbouwt. “Twee verslaggevers voor de impact van het materiaalgebruik in één pand betekent meer administratie, hogere kosten en het risico op tegenstrijdig advies. Hoe kan dergelijk beleid burgers stimuleren om inspanningen te leveren voor CO2-reductie?”, vraagt directeur Steven Lannoo zich af.
MILIEU-IMPACT VAN MATERIALEN
Het M-peil is een maatstaf voor de klimaatimpact van de materialen in een gebouw over hun volledige levenscyclus, van productie tot en met het einde van de levensduur. Vandaag ligt de focus daarbij vooral op de CO₂-uitstoot. Of in de toekomst ook andere milieueffecten zullen worden meegenomen, is nog niet definitief beslist.
De invoering gebeurt stapsgewijs. Vanaf 2028 zal voor grotere nieuwbouwprojecten de CO₂-impact van materialen over hun levenscyclus berekend moeten worden. Vanaf 2030 wordt die berekening ook gekoppeld aan een grenswaarde, waardoor het M-peil effectief een rol zal spelen bij elke nieuwbouwwoning.
Voor opdrachtgevers betekent dat een belangrijke evolutie. Niet alleen het energieverbruik tijdens het gebruik, maar ook de impact van materialen over de volledige levenscyclus zal mee bepalen hoe duurzaam een woning is. Net zoals het E-peil vandaag, kan het M-peil in de toekomst ook een invloed hebben op de waarde van een woning. NAV benadrukt dat die evolutie logisch is. “We moeten breder kijken dan enkel energieverbruik. Ook bij de productie en verwerking van materialen ontstaat een belangrijke klimaatimpact,” zegt directeur Steven Lannoo.
RISICO OP EXTRA KOSTEN EN VERTRAGING
Toch dreigt de invoering volgens NAV verkeerd te lopen. In de huidige plannen komt er naast de EPB-verslaggever een nieuwe expert: de materiaalprestatiedeskundige. “Dat betekent in de praktijk twee verslaggevers voor één woning. Dat maakt bouwen duurder en trager en daar zit niemand op te wachten.”
De meerkost zit vooral in de extra administratie en berekeningen. Vandaag kost een EPB-verslag al snel tot ongeveer 1.000 euro. Als daar een tweede verplicht traject bijkomt, dreigt de factuur verder op te lopen. Volgens NAV is dat onnodig, omdat energie- en materiaalkeuzes onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar voortdurend beïnvloeden. “Het risico bestaat zelfs dat adviezen elkaar tegenspreken. Dat kan toch niet de bedoeling zijn”, gaat Lannoo verder. Concreet kan de ene expert bijvoorbeeld aanraden om meer te isoleren om het energieverbruik te beperken, terwijl de andere net pleit voor minder of andere materialen om de totale milieu-impact te verlagen. Voor bouwers wordt het zo bijzonder moeilijk om te weten welk advies ze moeten volgen.
“INTEGREER HET M-PEIL IN HET BESTAANDE SYSTEEM.”
NAV pleit daarom voor een duidelijke en werkbare oplossing: integreer de materiaalprestatieberekening in de bestaande EPB-verslaggeving, in plaats van een apart systeem op te zetten. Zo blijft de administratieve last beperkt, wordt het bouwproces niet vertraagd en krijgen bouwers één helder advies in plaats van twee mogelijke richtingen.