Toen ik jaren geleden aankondigde dat ik bij NAV rond duurzaam bouwen zou werken, kreeg ik van iemand de repliek dat ik vast vond dat we voortaan alles in hout moeten bouwen. Eerlijk? Ik wist niet goed hoe daarop te reageren. De vraag klonk zo retorisch dat ik het gevoel had mijn gesprekspartner kwijt te zijn met een ‘neen’, of zelfs een ‘ja, maar’. Nochtans vraagt ook zo’n korte neen om nuance. Maar hoe hou je dat bondig zonder te vervallen in een tirade over houtsoorten, transportkosten, eindelevenaannames, bouwhoogtes en programma van eisen, bouwmethodieken, brandveiligheid, akoestiek en andere technische vereisten, kennishiaten, verzekerbaarheid, beschikbaarheid, uitvoerbaarheid, ambities en … budget? To name a few.

Mijn gesprekspartner van toen heeft dagdagelijks niets met de bouwwereld te maken, maar behoort wel tot de categorie ‘kritische burgers’. Zoals de doorsnee klant dus, die binnen een aandachtspanne van gemiddeld vijf seconden (of zijn het er tegenwoordig drie?) graag een eenduidig antwoord krijgt op vragen rond duurzame bouwmaterialen. Terwijl ik maalde over een antwoord, besefte ik dat zijn vraag niet was óf duurzaamheid mee in de weegschaal gelegd moet worden, maar wel: hoe? Wat betekent het precies, en gaat het hier over een fundamenteel uitgangspunt of iets wat pas tijdens of na het ontwerpproces wordt meegenomen? De vraag naar duurzame concepten, materialen en technieken neemt toe, en daarbij ook het collectieve begrip van wat duurzaam is (en wat niet). Tegelijk groeit het besef dat duurzaamheid geen ‘tussendoortje’ of ‘achterafje’ meer kan zijn, maar van bij het begin richtinggevend moet worden in het ontwerp.

Dat bleek ook uit onze bevraging van vorig jaar, waarin we architecten vroegen hoe zij duurzaamheid in de praktijk vormgeven en vertalen naar hun klanten. De antwoorden lagen in lijn met wat binnen Europa, en binnenkort ook in Vlaanderen, in wetgeving verankerd zal worden: een meetbare (en dus begrensbare) CO₂-uitstoot over de volledige levenscyclus, in combinatie met circulaire praktijken (zoals behouden en herstellen, hergebruiken en recycleren, aanpasbaar ontwerpen en bouwen), moet ons helpen om meer grip te krijgen op duurzaamheid in de bouw.

Ontwerpwerk versus loutere nacalculatie

Met NAV onderschrijven we de noodzaak om de materiaalimpact van gebouwen beleidsmatig te kunnen meten en sturen. Tegelijk zijn we van mening dat dit alleen slaagkans heeft als het afgestemd wordt op het energiebeleid en als daarbij maximaal wordt ingezet op werkbare, coherente kaders voor de praktijk. Een dubbele rapportering via parallelle systemen of tools dreigt te leiden tot extra kosten, vertragingen en tegenstrijdige adviezen. Ze helpen noch de opdrachtgever, noch de ontwerper vooruit. Daarom pleiten we voor één geïntegreerde aanpak, waarbij de impact van materiaalkeuzes in totaliteit kan worden beoordeeld. Daarnaast moet er in de praktijk een duidelijk onderscheid blijven tussen ontwerpwerk en loutere nacalculatie. Ontwerpen gaat immers over het kwalitatief vertalen van een complexiteit aan parameters. Het vereist visie, ervaring, inzicht, kritisch onderzoek en toewijding. En meten is … meten.

Een geschikt bouwmateriaal kiezen is geen eenvoudige, laat staan eenduidige vraag, tenzij je de situatie en haar inherente complexiteit negeert. Het idee dat één bouwmethodiek het antwoord kan zijn – zoals mijn gesprekspartner van weleer suggereerde – is verleidelijk, maar te kort door de bocht. Er bestaat geen one size fits all. Integendeel: massaal inzetten op één bouwmethodiek zou onvermijdelijk nieuwe problemen creëren, onder meer op het vlak van beschikbaarheid en betaalbaarheid.

Diversiteit is dus troef. Tegelijk vraagt de huidige keuzerijkdom om kritische zin: wat is verantwoord en wat is excessief? En wie anders dan de architect om in dat bos van mogelijkheden de juiste keuzes te maken – wetende dat het bos uit meer bestaat dan hout alleen?

Sien

Sien Cornillie

Adviseur studiedienst

Netwerk Architecten Vlaanderen

Gerelateerde artikelen