Architecten worden geconfronteerd met hoge maatschappelijke verwachtingen rond klimaat, water, toegankelijkheid en wonen, terwijl de regelgeving steeds gedetailleerder en meer versnipperd wordt. Hierdoor blijft er te weinig ruimte over om hun rol als ontwerper ten volle op te kunnen nemen. NAV pleit daarom voor een andere manier van reguleren, met duidelijke doelen en meer ruimte voor architecten om die zelf in te vullen. Bent u voorstander van die aanpak?
Jo Brouns: “Zeker. Voor mij is doelregelgeving een noodzakelijke evolutie als we in Vlaanderen een duurzame toekomst willen combineren met economische slagkracht, innovatie en kwaliteitsvol bouwen. Het is niet aan ons, de overheid, om tot in de kleinste details te bepalen hoe iets moet gebeuren, wel om duidelijke doelen te formuleren betreffende emissiereductie, betere waterkwaliteit, het opvangen van regenwater, volwaardige toegankelijkheid, ... Zo stimuleren we innovatie en gezond verstand.”
Dit is uw persoonlijke mening. Hoe schat u het draagvlak voor doelregelgeving op vandaag in?
Jo Brouns: “Ik zie dat draagvlak alsmaar breder worden. Zo is de gulden middenweg tussen doel- en normregelgeving een specifiek punt in het Actieprogramma inzake rechtszekere en robuuste vergunningen dat door de voltallige regering is goedgekeurd.”
“Als samenleving zijn we natuurlijk wel risicoavers. We proberen elk mogelijk risico dicht te regelen door bijvoorbeeld vuurwerk te verbieden of de maximale afstand tussen de spijlen van de bedden in de kinderopvang te bepalen. Maar daartegenover zie ik een groeiende regelverzadiging: mensen raken verstikt door de opeenstapeling van voorschriften. Die spanning maakt duidelijk dat we opnieuw meer vertrouwen moeten durven geven en moeten aanvaarden dat een zeker risico nooit volledig uit te sluiten valt.”
Vergunningenrevolutie
De vergunningenrevolutie wordt het ‘koninginnenstuk’ van deze regering. NAV zat in de klankbordgroep van de Gemengde Commissie Vergunningen die een rapport met 45 adviezen opstelde voor een robuuster en rechtszekerder vergunningenbeleid in Vlaanderen. Welke concrete verbeteringen uit dat rapport wilt u deze legislatuur nog realiseren?
Jo Brouns: “De ambitie is om ze alle 45 te realiseren. Intussen zijn ze bijna volledig vertaald naar een politieke conceptnota die eind vorig jaar werd goedgekeurd. Een van de eerste concrete stappen is de herwerking van het omgevingsvergunningsdecreet. Daarbij leggen we meer nadruk op vooroverleg, een eenvoudiger dossierverloop en snellere, maar ook strengere beroepsprocedures, waaronder het principe ‘geen bezwaar, geen beroep’ en een duidelijke attentie- en stelplicht. Dat betekent dat wie niet op het juiste moment reageert, geen beroep meer kan instellen.”
“De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat een wijziging of herziening van artikel 23 van de Grondwet geen eenvoudige oefening zal zijn. Het recht op een gezonde leefomgeving staat buiten kijf, maar wordt vandaag soms zo geïnterpreteerd dat elk beleidsinitiatief bij voorbaat wordt gewantrouwd. Die logica moeten we omkeren als we structureel vooruitgang willen boeken.”
“Uiteraard respecteer ik lokale autonomie, maar waar regels onnodig complex worden, moeten we durven ingrijpen”
Hoe wilt u de versnippering tussen Vlaamse, provinciale en gemeentelijke regels aanpakken?
Jo Brouns: “We willen zo veel mogelijk evolueren naar een duidelijk Vlaams kader om uniformiteit te creëren. Daarom vragen we steden en gemeenten om zeer terughoudend om te gaan met lokale verordeningen. Uiteraard respecteer ik lokale autonomie en democratie, maar waar regels onnodig complex of absurd worden, moeten we durven ingrijpen. Omdat architecten in veel verschillende gemeenten werken en perfect kunnen aangeven waar de verschillen ontsporen, zie ik hen als bondgenoten om die versnippering aan te pakken.”
Door de complexe praktijk en die lokale verschillen is de afstand tussen de architect en aanvrager enerzijds en de vergunningverlener anderzijds sterk gegroeid. Hoe kunnen we hen opnieuw dichter bij elkaar brengen?
Jo Brouns: “Voor mij begint dat heel duidelijk bij het vooroverleg. Dat moet een absoluut recht worden voor initiatiefnemers. Een vergunning moet opnieuw een dialoog zijn om een project te versterken, geen mechanisme om het in de gracht te rijden. Dat vergt wel dat elke vergunningverlener het vooroverleg erkent als een wezenlijke meerwaarde in het traject.”
“We zien een veel hogere succesratio bij dossiers waarbij architecten het traject van A tot Z begeleiden en alle betrokken adviesinstanties vroeg rond de tafel zitten. Zo’n begeleidende rol kan door architecten worden opgenomen, maar evengoed door omgevingsmanagers. Van adviesinstanties verwachten we dat ze tijdig kleur bekennen, oplossingsgericht werken en zo veel mogelijk streven naar één geïntegreerd advies, ondanks de verschillende invalshoeken van waaruit ze naar een dossier kijken. Belangrijk hierbij, en dat zeg ik met alle respect voor onze ambtenaren, is dat het niet aan hen is om een oordeel te vellen in termen van ‘gunstig’ of ‘ongunstig’, want zo’n oordeel werkt vandaag de facto als een groene of rode kaart voor een dossier. Hun rol moet erin bestaan hun expertise te delen en aandachtspunten te formuleren. Maar de uiteindelijke beslissing, en het eventueel opleggen van voorwaarden, hoort thuis bij de vergunningverlenende overheid, in overleg met de initiatiefnemer en de architect. Dat zal de relatie tussen hen versterken.”
“Cruciaal is ook dat het proces ruimte laat voor bijsturing. Wanneer iets ontbreekt, een ontwerp moet worden aangepast of dialoog met de buurt tot wijzigingen leidt, mag dat geen ‘terug naar af’ betekenen, maar wel een pauzeknop. Ook dat is essentieel voor een constructieve vergunningenrelatie.”
Only Once-principe
Plant u op korte termijn investeringen en moderniseringen in het digitale vergunningsproces om het sneller, intelligenter en transparanter te maken? En zo ja, welke?
Jo Brouns: “Op korte termijn ligt de focus op het verder uitbouwen van het omgevingsloket, zodat het gebruiksvriendelijker en slimmer wordt. Het Only Once-principe is daarbij belangrijk: de overheid moet gegevens die al beschikbaar zijn niet telkens opnieuw opvragen. Ook de integratie van bijkomende stukken en adviezen moet vlotter en overzichtelijker verlopen.”
“Daarnaast zien we grote mogelijkheden in digitale assistentie en AI-toepassingen. Die kunnen helpen om sneller inzicht te geven in de mogelijkheden en beperkingen van een perceel. Digitale ontsluiting van stedenbouwkundige regels en voorschriften is daarbij essentieel. We willen er zo weinig mogelijk, maar de regels die er zijn moeten wel digitaal, eenduidig en actueel beschikbaar zijn.”
“Ook het digitale vooroverleg willen we verder versterken. Door ontwerpdossiers digitaal te bespreken met alle betrokken actoren vóór indiening, kunnen we de kwaliteit verhogen en onnodige vertragingen later in het traject vermijden. Tot slot investeren we in software en digitale tools om vergunningsprocedures sneller, transparanter en juridisch robuuster te maken. Architecten zullen die verbeteringen op korte termijn ook effectief merken in hun dagelijkse praktijk.”
Wij zien zeker de meerwaarde van digitaal vooroverleg, maar enkel als het een gerichte aanvulling blijft op fysiek overleg, en geen extra werkdruk creëert voor ontwerpers. Hoe ziet u dit?
Jo Brouns: “Het Actieprogramma voorziet in een recht op vooroverleg, maar legt de precieze modaliteiten daarvan niet vooraf vast. Het is aan de aanvrager, eventueel samen met de architect, en het betrokken bestuur om het vooroverleg af te stemmen op de noden van het project.”
Ziet u de noodzaak om het systeem op termijn fundamenteel eenvoudiger te maken?
Jo Brouns: “Absoluut. Het werk is nog lang niet af. De procedure op zich vormt vandaag niet het grootste probleem: als alles goed loopt, kan een vergunning binnen 90 à 120 dagen worden afgeleverd. De echte complexiteit zit in de overvloed aan sectorale regelgeving en in de manier waarop die regels op elkaar inwerken, zeker wanneer ze voortvloeien uit Europese kaders, zoals de Habitatrichtlijn of de Kaderrichtlijn Water. En toch moeten we ook daarin stappen durven zetten.”
“Ik pleit voor een sterkere systeembenadering, waarbij we het effect op het geheel bekijken. Die laat toe om het omgevingsbeleid te vereenvoudigen zonder afbreuk te doen aan de bescherming van mens, natuur en milieu. De kritiek dat vereenvoudiging automatisch zou leiden tot een uitholling van die bescherming, deel ik dus helemaal niet. We moeten erover waken dat de werkelijke milieudruk van een project doeltreffend onderzocht kan worden en aanvragers en architecten zich in die oefening niet verliezen in een moeras aan regels.”
(Lees verder onder de foto.)
© ID / Bart Dewaele
Grondige herziening Hemelwaterverordening
Architecten juichen de recente omzendbrief over de hemelwaterverordening toe. Tegelijk blijft aandacht nodig voor de praktische haalbaarheid en een uniforme toepassing van de regels. NAV acht een grondige herziening van de verordening daarom nog steeds noodzakelijk. Hoe staat u daar tegenover?
Jo Brouns: “De omzendbrief is er gekomen omdat we interpretatieverschillen zo snel mogelijk wilden wegwerken. Dat was nodig, maar een eindpunt is het niet. Ook voor mij is een grondige herziening van de Hemelwaterverordening op langere termijn aan de orde. Zoiets vraagt tijd, omdat het juridisch zorgvuldig moet gebeuren en participatie vergt, maar ik wil dat traject wel degelijk opstarten.”
“Om meer uniformiteit te krijgen in Vlaanderen, willen we werken met een expertenpanel dat waterdoorlatende verhardingen en technieken beoordeelt en oplijst. Gemeenten kunnen dan vertrouwen op die gevalideerde technieken en ze als oplossing aanvaarden. Aan dat systeem werken we verder in 2026.”
Universal design
Architecten onderschrijven toegankelijkheid als een belangrijk maatschappelijk doel, maar ervaren de huidige regels als te gedetailleerd en moeilijk toepasbaar in de vergunningsfase. Wanneer verwacht u de herziening van de toegankelijkheidsverordening af te ronden?
Jo Brouns: “Net zoals bij de Hemelwaterverordening nemen we hier bewust de nodige tijd, omdat de herziene verordening maatschappelijk ambitieus, juridisch helder en vooral toepasbaar op het terrein moet zijn. Snelheid is ondergeschikt aan zorgvuldigheid, maar het is wel de bedoeling om dit binnen de huidige legislatuur te realiseren. Ook hier onderzoek ik het weghalen van de overbodige uitvoeringsdetails uit de verordening. Het doel is duidelijk: toegankelijkheid volgens het principe van universal design.”
Wie zal dan controleren of de uiteindelijk opgeleverde gebouwen dan ook effectief toegankelijk zijn?
Jo Brouns: “Controle zal een taak van de overheid blijven. Maar we moeten ook realistisch zijn: we kunnen niet op elke hoek van de straat inspecties organiseren. Daarom is het belangrijk om meer verantwoordelijkheid en vertrouwen bij de initiatiefnemer te leggen. Die moet kunnen aantonen dat aan de toegankelijkheidsdoelstellingen is voldaan.”
“Het uitgangspunt blijft vertrouwen, zowel in dit dossier als alle andere die we al besproken hebben. Vertrouwen, gecombineerd met duidelijke doelen, maar ook met strengere handhaving voor overtreders.”
Eén verslaggeving voor energie- en materiaalprestaties
Europa wil tegen 2030 een voortrekkersrol opnemen in de circulaire economie. Voor architecten is de grote vraag wat dit betekent in de concrete praktijk van het ontwerpen.
Jo Brouns: “Gezien de huidige geopolitieke context is circulariteit voor Europa in mijn ogen geen keuze meer, maar een noodzaak. We zijn geen grondstoffenrijk continent, maar kunnen wel uitgroeien tot een voortrekker inzake circulariteit. Hergebruik van materialen moet daarom een structurele plaats krijgen in de ontwerppraktijk en in bestekken. Om dat mogelijk te maken, zijn duidelijke en betrouwbare kaders nodig. OVAM speelt daarin een sleutelrol, onder meer door definities rond reststromen te verduidelijken en door het vertrouwen in hergebruikte materialen te versterken. Uiteraard moet er zekerheid zijn over de kwaliteit en veiligheid van die materialen, maar dat mag niet ontaarden in een kluwen van bijkomende procedures. Ik nodig architecten uit om mee te denken over hoe we overbodige regels kunnen vermijden. Uitgewerkte maatregelen richting de 2030-doelstellingen van de Circular Economy Act liggen nog niet vast. We staan nog maar aan het begin van dit traject.”
Vanaf 2028 vraagt de EPBD dat de energieprestatie van gebouwen wordt beoordeeld over de volledige levenscyclus. In Vlaanderen zijn die bevoegdheden verdeeld tussen VEKA en OVAM. Een goede afstemming is nodig om rapportering, datadeling en ondersteuning voor de bouwsector werkbaar te houden. Hoe wilt u de samenwerking tussen VEKA en OVAM organiseren in het kader van deze nieuwe EPBD-richtlijn?
Jo Brouns: “Het is duidelijk dat VEKA en OVAM nog nauwer zullen moeten samenwerken. Hoewel de taakverdeling duidelijk is, mag die voor de bouwpraktijk niet leiden tot aparte trajecten. De bedoeling is energie- en materiaalprestaties te integreren in één verslaggeving. Concreet bekijken we hoe de berekening van de materiaalimpact kan worden ingebed in de bestaande EPBD-processen. Wie de verslaggeving opneemt, moet flexibiliteit krijgen. Dat kan een EPB-verslaggever zijn, een architect of een andere actor in het bouwproces. Het uitgangspunt blijft dat het systeem werkbaar is, ondersteuning biedt aan ontwerpers en geen tegenstrijdige signalen creëert.”
“Architecten zijn voor mij cruciale partners. Door hen te betrekken, ontstaat beleid met meer realiteitszin”
Tot slot: hoe evalueert u de samenwerking met beroepsverenigingen, zoals NAV, het voorbije jaar? Welke bijdrage leveren zij volgens u aan gedragen en werkbaar beleid?
Jo Brouns: “Het overleg rond het vergunningenbeleid en de totstandkoming van de Omzendbrief Hemelwater tonen duidelijk aan dat architecten en hun beroepsverenigingen voor mij cruciale partners zijn. Door hen mee de pen te laten vasthouden, ontstaat beleid met meer realiteitszin, duidelijke regels en een betere toepasbaarheid voor zowel ontwerpers als vergunningverleners.”
“Daarnaast wil ik de bijzonder constructieve samenwerking in de Taskforce Wonen‑Ruimte benadrukken. Ook daar zien we hoe waardevol het is om vanuit verschillende expertises, waaronder die van NAV, gezamenlijk aan oplossingen te werken die zowel ruimtelijk verantwoord als praktisch uitvoerbaar zijn. Mijn deur staat dan ook wijd open om die samenwerking structureel verder te zetten.”
Dat staat bij deze genoteerd.
Katrien Depoorter
Projectmanager pers en communicatie
Netwerk Architecten Vlaanderen